Als militante studenten bekleden we een zeer speciale positie. Langs de ene kant dragen we vrij weinig directe verantwoordelijkheid voor wat er gebeurt in de wereld, en kunnen we er dus op los theoretiseren en de wereld verbeteren van op onze comfortabele barkruk. In die zin zijn we zo’n beetje de behoeders van de droom in deze pragmatische tijden. Langs de andere kant hopen we met onze idealen constructief aan de slag te kunnen gaan. We voelen dan ook de noodzakelijkheid van een zekere Realpolitik in onze werkwijze. Wanneer we het café verlaten om onze ideeën met acties bekend te maken aan iedereen die er al dan niet in geïnteresseerd is, doen we dat meestal in de hoop hiermee wat aan de publieke opinie te sleutelen. De mensen zijn over het algemeen te dwaas om volledig te begrijpen waar we het over hebben, maar een deel van onze boodschap zou wel eens kunnen blijven hangen.
In dit nummer van Branding staan een paar bijzonder interessante artikels over ooit invloedrijke economische denkers die hun ideeën in de praktijk wisten om te zetten, ook al duurde dit dan veel te kort. Meneer Gillis belicht de bijzonder boeiende en jammerlijk vergeten Vlaming Delvo en meneer Pernet heeft het over onze Perzische kameraad Mossadeq, en in beide historische figuren zie ik geestesgenoten. Hoewel de door hen uitgedachte systemen ons kunnen inspireren en in zekere zin zelfs hun effectiviteit bewezen hebben, zal niemand die de dweperige puberteit ontgroeid is eraan twijfelen dat het onmogelijk is om hen in de praktijk ook integraal toe te passen. Het waarom in een notendop: het Westen is compleet catatonisch. Staat u me enkele bladzijden van uw tijd toe om u ook het “hoe” uit de doeken te doen.
Francis Fukuyama heeft zich in verschillende boeken met deze problematiek beziggehouden, ook al is hij er veel minder rouwig om dan wij. In het bekendste, The End of History and the last man , gaat hij ervan uit dat het Westen in haar eindstadium is geraakt omdat de botsingen tussen competitieve ideologieën hier definitief ten einde zijn. In de eerste helft van de twintigste eeuw heeft het hier natuurlijk gestoven als nooit voorheen, maar sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog is het inderdaad wonderlijk rustig. Het neoliberalisme (laten we zeggen: kapitalisme plus sociale bekommernis) van Yankeestan en West-Europa is nooit werkelijk bedreigd geweest, tenzij dan misschien door externe factoren als het communisme . De “publieke ideologie” is werkelijk compleet doordrongen van een liberale logica, zelfs in de meest linkse middens. Ook al wil ik niet de fout maken iedere liberaal een utilitarist te noemen, het valt me toch op dat beide filosofieën zich parallel ontwikkeld hebben en in griezels als Jeremy Bentham een gemeenschappelijke wegbereider erkennen . Toen progressieve krachten in onze maatschappij riepen om het homohuwelijk was de basisgedachte die erachter zat iets à la “geef ze wat ze willen, dat doet toch niemand kwaad!”, zelfs (en voornamelijk) in rode middens die toch geacht worden om de maatschappij boven het individu te plaatsen. Maar laten we wel wezen: nagenoeg élke West-Europese partij, op marginale fenomenen als de laatste communisten na, past in het liberale discours. Dat gaat ook hier bij ons op voor alle succesvolle partijen, van Groen! tot Vlaams Belang, ook al zullen ze het zelf niet graag horen. Het is hen trouwens vergeven, want ze kunnen er gewoon niet buiten.Als je mee wil spelen in de Westerse politiek dan moet je een aantal dogma’s aannemen, of je blijft steken bij de lucky few die rebels genoeg waren om zelf op zoek te gaan naar een alternatief. In een parlementaire democratie is het trouwens logisch dat je een vrij uniforme politieke situatie gaat krijgen, omdat partijen die te zeer het buitenbeentje uithangen niet meer over de mogelijkheid beschikken om kiezers en lobby’s af te snoepen van andere partijen. Uiteenlopende politici als Elio Di Rupo als Gerolf Annemans gaan tegenwoordig lunchen met zakenlui, en dat doen ze natuurlijk niet omdat die bedrijfsleiders zo’n goeie moppen kunnen tappen.
Ik gebruikte daarnet het woordje “discours” om een welbepaalde reden. Michel Foucault gaat ervan uit dat wij voor we iets voor waar kunnen nemen het eerst moeten kunnen plaatsen in ons wereldbeeld dat we construeren als “een Discours” (voor de duidelijkheid met hoofdletter), een talig geheel van indrukken die zich op een bepaalde manier tot elkaar verhouden. Als een vreemd element hierin geïntroduceerd wordt zal de “discursieve persoon” gedesoriënteerd raken, en moet hij dus ofwel de relaties in zijn systeem aanpassen ofwel de nieuwe boodschap afwijzen als zijnde per definitie onjuist omdat ze niet overeenkomt met het beeld dat hij heeft van de wereld. Het verlammende utilitaristische Discours dat op dit moment in het Westen overheerst zorgt ervoor dat iedereen die een andere boodschap brengt dan “stem voor ons en hou meer sollen over” als naïeve idealist wordt bestempeld. Dat ligt niet aan het “groeiende egoïsme” of de “toenemende intolerantie” waarover kortzichtige commentatoren het al eens hebben, want dat zijn allemaal maar symptomen van wat we hierboven geschetst hebben. Het gaat immers niet alleen om geld, je moet de mensen tout court met rust laten. Als je als utilitarist formuleert dat de enige regel is dat de beste oplossing de grootste hoeveelheid “geluk” oplevert voor het grootste aantal mensen, dan moet je er niet van schrikken als je maatschappij naar de haaien gaat wanneer een abstract begrip als “geluk” in latere tijden door de gedegenereerde Westerling op een heel platte manier wordt ingevuld. Om Dostoyevsky even te parafraseren: als God dood is, is alles toegelaten . Wie van dit citaat in een seculier tijdschrift als Branding geschrokken is, kan ik dadelijk geruststellen. Zowel voor Dostoyevsky als voor uw dienaar is “God” niet alleen een metafysische figuur maar ook een mooie naam voor een regelgevend principe. Het wegvallen van een hogere instantie die bepaalt hoe je het leven zin kan geven zorgt voor anarchie, en daarom zoekt iedereen op zijn manier naar een dergelijke leidraad. Voor de meeste mensen zal die echter bepaald worden door de gangbare maatschappelijke ideologie van het moment, het modieuze Discours zullen we maar zeggen. Die fungeert helemaal niet als “God”, omdat ze te leeg is. Er gebeurt hierdoor gewoon niks constructiefs.
Volgens Alisdair MacIntyre zitten we nu in het tijdperk van de paradoxale ideology of the end of ideology . Je kan dat kort uitleggen als het tijdperk waarin de beleidsmakers zich zo goed als verzoend hebben met de sociaal-economische realiteit van het neoliberalisme. De meest succesvolle “linkse” partijen (inclusief ecologische watermeloenen) zijn allemaal sociaal-democratisch, wat betekent dat ze de conflictpolitiek van het vooroorlogse socialisme hebben laten varen om hun doelstellingen met behulp van de voorheen als onderdrukkend gepercipieerde instituties te verwezenlijken. Hoewel ze het nooit zullen toegeven, betekent dit in feite niks anders dan dat ze erkennen dat het liberalisme gewonnen heeft. Het moderne socialisme, zoals we het verpersoonlijkt zien door debiele organisaties als het ABVV en tragikomische partijen als de PS, stelt doctrinair helemaal niks voor en heeft als enige gevolg dat ons land compleet vierkant draait. De verschillen tussen “socialistisch” en “liberaal” zijn nagenoeg weggevallen, in het grote voordeel van het liberalisme. Van een evenwichtige Derde Weg, zoals meneer Ranson die in deze Branding propageert, is hier immers geen sprake. Omdat ze geen bruuske veranderingen meer propageren gaan ze er vanuit dat ze zelf geen ideologie meer aanhangen. In postmarxistische kringen (tegen wil en dank grote bondgenoten van het utilitair kapitalisme, denk aan Adorno en heel zijn kritische Theorie) is “ideologie” namelijk een term die enkel dwaalleren aanduidt. Champetier en De Benoist stellen in hun inspirerend manifest:
“Nu het zich wereldwijd heeft verbreid stelt het liberalisme geen ideologie meer voor, maar een wereldwijd productie- en reproductiesysteem voor zowel mensen als koopwaar…”
MacIntyre legt echter op meesterlijke wijze bloot dat ze hierdoor net wel een ideologie opleggen aan de maatschappij: één die als gevolg heeft dat iedereen die wél veranderingen voorstelt dadelijk wordt afgeschilderd als een onrealistische extremist. En dan komen die klassieke verwijzingen naar dictatoriale regimes weer op de proppen, de laatste toevlucht van de gefaalde redenaar. We worden door de neofobie van onze leiders dan wel beschermd tegen “antidemocratische” (wat dat dan ook moge betekenen) krachten, maar worden we op deze manier ook niet afgeschermd van eventuele positieve innovaties, van een noodzakelijk élan vital?
Economische analisten klagen over een compleet gebrek aan initiatief bij onze leiders om het hoofd te bieden aan dreigende rivaliserende economieën. Ik heb slechts een minieme basiskennis van economie, opgedaan uit inleidende boeken genre “Economie voor Dummies”, en kan dus niet tot in de details uiteenzetten wat er moet gebeuren. In andere artikels voor Branding heb ik al bekend dat ik in dit soort zaken de ultieme dilettant ben. Ik ben echter wel kundig genoeg om in te zien dat er in andere gebieden zeer veel gebeurt. China heeft door zijn aparte aanpak van de economie een duizelingwekkende rotvaart genomen, een aanpak die om voor de hand liggende redenen zeker niet door ons kan en mag geïmiteerd worden maar die wel te denken geeft. Heel wat mensen hebben het de laatste tijd ook over Rusland, met een cliché “de slapende beer”. Feit is echter dat de beer stilaan wakker aan het worden is. Hij heeft al een paar keer de wekkerradio op “snooze” gezet, en kan één dezer met een dijk van een ochtendhumeur uit bed stappen om iedereen te vermorzelen die na de val van de Sovjetunie aan zijn pap gezeten heeft. Of je nu voor of tegen Poetin’s Rusland bent (ik ben zoals bekend pro), ook dit zou ons moeten aanmanen om eens na te denken over de manier waarop wij ons klaarmaken voor de toekomst. Ik herhaal mijn oproep van vorige Branding, om het met Ezra Pound te zeggen “but with the urgency of sixty years ago”: dames en heren economisten, het woord is aan u!