“Dat plengoffer na een met succes overleefde veldslag behoort tot de mooiste herinneringen van veteranen. Zelfs als er van de twaalf tien gesneuveld waren, gingen die laatste twee zonder mankeren op de eerste verlofavond samen aan de drank, hieven zwijgend een glas op hun dode kameraden en bespraken op een schertsende toon hun gezamenlijke belevenissen. In die mannen leefde iets wat enerzijds de gruwelijkheid van de oorlog benadrukte, maar die anderzijds ook op een hoger plan bracht – het wezenlijke genoegen van het gevaar, de ridderlijke drang zich te bewijzen in het gevecht. In de loop van vier oorlogsjaren kristalliseerde zich door het vuur een steeds zuiverder, steeds vermeteler soldatenaard uit. ” (1)
Bovenstaand citaat vat de controversiële oorlogsroman ‘Oorlogsroes’ van Ernst Jünger (1895-1998) bondig samen. Hoewel Jünger de gruwelijkheid van de Eerste Wereldoorlog sterk persoonlijk in beeld brengt door een dagboekenstructuur te hanteren, verleent hij een triomfantelijke glans aan de individuele soldaat die dreigt op te gaan in de anonieme ‘Materialschlagt’.
De technische verschrikkingen vormt de mens om tot een zogenaamde ‘staalmens’, die iets betoverends ziet in al het oorlogsgeweld. Dat hij daarmee radicaal breekt met het bekende anti-oorlogsboek ‘Im Westen nichts neues’ van Erich M. Remarque, is wel duidelijk. Het grootste verschil tussen deze twee acteurs is dat Jünger zelf aan het front heeft gezeten en Remarque slechts een zeer korte tijd. Het boek ‘Oorlogsroes’ is namelijk het relaas van de jonge Jünger in zijn oorlogsjaren. Ernst Jünger heeft er zelfs de hoogst mogelijke medaille gekregen die een toenmalige soldaat kon krijgen: l’Ordre pour le Mérite. Hij lijkt zelfs te suggereren dat ‘de technologische oorlogvoering een natuurfenomeen is dat beantwoordt aan onze dionysische ervaring’. (2) Deze roep tot irrationalisme is karakteristiek aan de Conservatieve Revolutie tijdens het Duitsland van de Weimarperiode (1919-1933) waarvan Jünger later een belangrijk figuur zou worden.
De techniek wordt gemaakt tot de tweede natuur van de zogenaamde ‘staalmens’, dat aan de grondslag ligt van zijn collectieve bewustzijn. Het onpersoonlijke karakter van de ‘Materiaalslag’ is een existentiële ervaring van betekenis: ‘het wemelt in ‘Oorlogsroes’ van zwermen kogels en gevleugelde termen als ‘ijzerhagel’ en ‘staalstormen’, waarin de versmelting van techniek en natuur, dit gesuggereerde oerverbond tussen technologisch geweld en primitieve roeservaring, tot uitdrukking komt.” (3) Hoewel het beeld dat Jünger schetst vaak in verband wordt gebracht met de fascistische moderniteit mag hij daarmee niet vereenzelvigd worden. Jünger moet eerder beschouwd worden als een aristocratische Einzelgänger; en valt niet te plaatsen in een bepaalde categorie.
Met het revolutionair elan dat hij tentoonspreidt in zijn werken verwerpt hij de burgerlijke samenleving en tracht hij zijn ideaaltype van de frontsoldaat te vereenzelvigen met die van de arbeider. Dit was niet ongewoon in het interbellum, toen de Conservatieve Revolutie doordrong in zeer heterogene milieus. Maar het zou ook bekrompen en fout zijn om Jüngers gedachtegoed domweg te vereenzelvigen met het nationaal-socialisme. Zijn revolutionair elan liep stuk op de ‘Gleichschaltung’ en nam zijn toevlucht tot de contemplatieve ‘innerlijke emigratie’. Dit betekent evenwel niet dat de woorden welke een jonge Jünger in die woelige jaren schreef aan hun kracht hebben verloren.
Meer zelfs, Europa lijkt zelf in een decadente Weimarperiode te zijn beland. Zullen de ogen op tijd geopend worden?
[Heimdallr is Commilito en medewerker aan de Nationalistische Vormingscel. De meningen geuit in dit opiniestuk weerspiegelen echter niet noodzakelijk deze van de NSV!]
(1) JÜNGER, Ernst, ‘Oorlogsroes’, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2002, 163
(2) Nawoord van Peter Claessens in: JÜNGER, Ernst, Oorlogsroes, 344
(3) Ibidem, 345