De liberale (sic?) legervakbond VSOA stelt voor de legerdienst, na 15 jaar afwezigheid, terug in te voeren. Voor mannen, alsook voor vrouwen nog wel. “Anders discrimineren we” nu eenmaal. Dat is argument nummer één. Argument nummer twee: “Hoe vaak hoor je niet zeggen dat die verplichte dienst toch nog niet zo slecht was? Nu ontbreekt het velen aan discipline, en aan waarden en normen. Het leger kan daar zeker iets aan doen.”
Allereerst is het wellicht nuttig de historische achtergrond van legerdienst te schetsen. Pruisen was de eerste om de moderne legerdienst duurzaam in te voeren onder de nobele naam ‘Krümpersystem’ en met als nobel doel: pure noodzaak. Napoleon was het hen knap lastig aan het maken en er kwam zodoende de nood aan nieuw bloed, zoveel mogelijk liefst. Omwille van het succes bleef Pruisen dit toepassen en werd het een nieuwe trend. Populair is het echter nooit geweest, de klassieke voorbeelden zijn de rellen in New York tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog, de catastrofe van Vietnam… En een leuke anekdote nog, laat-19de eeuws Japan welke het eufemisme ‘bloedbelasting’ bedacht, waarna de halve bevolking een paar weekjes rebelleerde omdat ze dachten dat de overheid werkelijk bloed kwam aftappen voor elektriciteitsgeleiders en kleurstof!
Maar in elk geval was de motivatie dezelfde: noodzaak. Tot ’45 was het nut in dit opzicht dus zeker begrijpelijk. Nu is Europa inmiddels 60 jaar in vrede (of wat daarvoor moet doorgaan) en toen de politieke elites na de eerste decennia wel door hadden dat er weinig meer van ging komen, vielen legerdiensten over het hele continent weg. Bijkomend niet te verwaarlozen fenomeen was dat, strikt kwantitatief gezien, legerdienst economisch verlies oplevert. Men had ooit het achterpoortje voor de elite welke zichzelf voor een redelijk bedrag uit de legerdienst kon wringen, maar dat kwam neer op het bloed van een arme sloeber te kopen en was dus niet in lijn met de nobele voorwendsels die er vaak aan kleefden. Zeker in deze egalitaire maatschappij zou men al huiveren bij de gedachte.
Economisch verlies of de ware aard met het achterpoortje aantonen dus, een knap lastige keus voor de dictatuur van het kapitaal, en nogal potsierlijk dat uitgerekend de LIBERALE legervakbond nu terug met de legerdienst komt aanzetten.
Goed, maar tot dusver de achtergrond, terug naar de argumenten van de VSOA.
Hendrik Conscience werd in 1812 te Antwerpen geboren als zoon van een Fransman die zich vijf jaar tevoren aldaar was komen vestigen. De jonge Hendrik Conscience wist zich op te werken tot hulponderwijzer en werd kort daarop klerk bij het provinciebestuur te Antwerpen. Zijn kennis, die erg veelzijdig was en diepgaand op vele gebieden, verkreeg hij uitsluitend door zelfstudie.
Als vriend van Jan-Alfried de Laet kwam hij in nauw contact met de Romantische kunstenaarskring die de gekende rederijkerskamer ‘De Olijftak’ toendertijd was. Onmiddellijk begeetserd door het gedachtengoed van het Romantisme publiceerde hij als debuut enkel poëzie. Dat poëtische oeuvre werd een totale mislukking. Hij gooide het over een andere boeg, maar zijn eerste historisch verhaal ‘In ’t Wonderjaar’ (verschenen 1837) kon al evenmin bewondering opwekken.
Met het vaste voornemen zijn tegenstanders voor schut te zetten en de erkenning als schrijver desnoods af te dwingen, schrijft hij in 1838 zijn ‘Leeuw van Vlaanderen’. In het jonge België waarin de Vlamingen zich reeds van in den beginne in het nauw gedrongen voelden, oogstte de roman onmiddellijk grote bijval bij de vlaamsgezinden. Ook bij de nederlandstalige Belgicisten had het werk aanvankelijk succes, omdat zij de vrijheidsgedachte die in de ‘Leeuw’ wordt verheerlijk, aanzagen voor de vrijheidsidee die volgens hen aan België’s bakermat had gestaan.