Was für ein Dünkel! Du wagst, was wir alle loben, zu schelten? Ja, weil ihr alle, vereint, auch noch kein Einziger seid.
Friedrich von Schiller – “An die Menge”
Totalitaire regimes gaan ten onder, omdat ze de drang van de mens naar fundamentele vrijheid niet weten te bevredigen. Ze dienen dan meestal ook psychotische, onrealiseerbare idealen of nog minder verdedigbare persoonlijke interessen. Politiek die de natuur tegengaat is geen lang leven beschoren. We denken hierbij aan het barbaarse communisme van Stalin en Mao, of het losgeslagen primitivisme van Pol Pot.
Het post-Verlichtingsdenken, gegenereerd in de tijd van de samenloop van opkomende burgerij en gecentraliseerde surplusextractie1, sloot de ogen voor het grauwe van haar eigen revolutie en predikte bij de bevolking een ideaal van individuele vrijheid. Die vond dan maximale uiting in het liberalisme. Dit is een defect economisch systeem dat van boeren door armoede gegijzelde loonslaven maakte. Vrijheid was er enkel voor de gegoede klasse. Na jaren van perfect gerechtvaardigde sociale strijd vervaagden de klassenverschillen, hoewel ze waarschijnlijk nooit volledig zullen sublimeren. Het grote verschil met pakweg 150 jaar geleden is dat de meeste mensen nu van de nieuwe welvaart kunnen genieten, en dat de vruchten van vroeger enkel maar door grootkapitalisten geplukt konden worden. De materiële welvaart corrumpeerde de mensen echter, zoals overvloed dat haast altijd doet. Met het openen van de markt naar de massa toe, kwam de massa onder invloed van dezelfde “reclame” als de rijken te staan. Het kapitalisme is dan ook in staat gebleken om in honderd jaar vroomheid en dienstbaarheid vrijwel volledig uit te roeien. Toen dit proces nog in volle gang was schreeuwden enkelen om een alternatief. Dit alternatief was de “mens tegen de tijd” die dus haaks staat op de tijdsgeest van ongeremde zinnelijkheid. Hij is atemporeel en daarom eigenlijk in elk tijdperk precies hetzelfde. Als enige is hij bestand tegen de eeuwigheid, en als enige is hij in staat om de kwesties in deze wereld op een degelijke manier op te lossen. Zo iemand worden is een groeiproces dat waarschijnlijk je hele leven duurt, maar als student heb je de kans om je er reeds voltijds op te fixeren.
Ideeën komen altijd ergens vandaan. Heel wat opinies die nu vanzelfsprekend worden geacht (denk aan de “Universele” Mensenrechten) waren ooit controversiële strijdpunten, van denkers met een revolutionaire instelling (in het gegeven voorbeeld zeer letterlijk). Het is verbazingwekkend hoe ver we dit principe kunnen doortrekken. Emoties zijn instinctief, maar vaak door mores geremd. Freud heeft veel onzin verteld, maar het is duidelijk dat hij met zijn theorie van het onderbewustzijn een punt had. Volgens hem heeft de mens tussen zijn onderbewustzijn (“Es”) en zijn bewustzijn (“Ich”) een brugje: de “Über-Ich”. Hierin injecteerde de vaderfiguur (lees: iedereen met autoriteit over het kind) normen en waarden tijdens de genitale fase. Over de geldigheid van de manier waarop dit aan seksuele driften wordt gekoppeld kun je discussiëren. Ikzelf vind het ongepast. Wat ik wel erken is dat mensen zich er vaak niet bewust van zijn dat hun mening niet zo “vanzelfsprekend” of “natuurlijk” is, maar dat hij ergens vandaan komt.
Vaak is hij in je hoofd gepropt door mensen met een bepaalde agenda. Omdat er, door Nietzsche terecht aangestipt, geen atemporeel objectief “goed” of “kwaad” bestaat, moeten we de systemen evalueren naar hun toepasbaarheid en efficiëntie. Postmoderne mensen hebben de neiging om alles wat nieuw is onherroepelijk te zien als een verbetering op het vorige, oude. De nieuwe oplossing voor ethische problemen is “the quick fix”. Een houding die er vooral uit bestaat dat men de kortzichtige weg van de minste weerstand kiest. Zodoende krijgen minderheden (seksuele, etnische,…) bijna per definitie waar ze om vragen. “Nee-zeggen” mag niet meer omdat men iedereen gelijk wil behandelen. Het gezond verstand is niet progressief genoeg.
Linkse sociologen voeren tendentieus onderzoek naar de haalbaarheid van opvoeding van kinderen door homoseksuele koppels. Resultaat: binnen afzienbare tijd wordt de opvoeding van veel kinderen gehypothekeerd omwille van mensen die niet in staat zijn kinderen te krijgen maar toch met levende poppen willen spelen. Feministen berokkenen leed bij zowel mannen als vrouwen door stelselmatig te ontkennen dat er tussen de geslachten verschillen zijn, ook al impliceren die geen verschil in waarde. Ze moeten en zúllen gelijke kansen krijgen. Resultaat: in plaats van een constructief debat is er haast een strijd om dominantie tussen de geslachten, en moeten politieke kieslijsten gevuld worden op basis van wettelijke geslachtsquota’s in plaats van competentie. Hiermee bedoel ik helemaal niet dat er geen competente vrouwen zijn. Veeleer impliceert het dat dezelfde mensen die zolang negatieve discriminatie gehekeld hebben nu ineens positieve nodig hebben om aan bod te komen.
Samengevat betekent dit dat er een hoop afgeschaft en toegestaan wordt zonder dat men ook maar even aan de gevolgen denkt.
Fyodor Dostoyevsky, niet alleen door politiek deskundige Goran Dahl de filosofische grondlegger van de Conservatieve Revolutie genoemd, zocht naar een vrije, spirituele elite die het belang van de natuurlijke orde blijft dienen. Een echo hiervan weerklinkt in het werk van James Joyce, die in zijn semi-autobiografische “A Picture Of The Artist As A Young Man” zijn hoofdpersonage Stephen Dedalus de droom laat koesteren zich te ontwikkelen tot een individuele stem die de verbintenis met zijn gemeenschap toch bevestigt. Thoreau trok zich terug in de bossen om zijn “On Civil Disobedience” neer te schrijven, waarin een kritische blik op de staatsautoriteit wordt geworpen, en het voornemen wordt uitgesproken zichzelf te vieren als individu-binnen-het-geheel. Losgeslagen vind je zoiets ook nog bij die gekkerd van een Hakim Bey².
“Jezelf vinden binnen het grotere geheel” is een motto dat minstens teruggaat tot bij Aristoteles. Die corrigeerde terecht de te rigide en bovendien onnatuurlijke “Politeia” van leermeester Plato. Door een bewustzijn van je eigen identiteit is het mogelijk om jezelf helemaal te ontplooien zonder je tot morele degeneratie te verlagen. Een idee die naadloos aansluit bij nationalisme en die daarom waarschijnlijk ook terug te vinden is bij Ernst Jünger. Deze bijzonder inspirerende man leverde de theorie van de “Anarch”. De Anarch zou voor een anarchist zijn wat de koning voor de monarchist vertegenwoordigt. Dit moet je niet zien als een aanleiding om hem bij de dogmatisch-linkse anarchistische vlooienzakken te rekenen. Jünger wist in tegenstelling tot deze mensen perfect wie hij was. Vergelijk de capriolen van een doorsnee anarchist gerust met die van een rebelse puber. Beiden zijn op zoek naar zichzelf, en beiden zullen zichzelf waarschijnlijk nooit (h)erkennen. Dat staat in schril contrast tot de Anarch. Hoewel zij/hij nooit volledig opgaat in de samenleving zal hij zijn medewerking verlenen om de samenleving op het juiste pad te houden. Zij/Hij laat zich echter nooit verlagen tot kleinburgerlijke staatsverheerlijking³. Die is meer het karakteristiek van een Batavus Droogstoppel4 dan van een volksheld. Deze overtuiging was de reden waarom Jünger wel toetrad tot een Freikorps om de Weimar Republiek omver te werpen, maar nooit het hoofd boog voor de personencultus van het Hitler-regime. Dat niet enkel Thoreau in voornoemd essay het woud als toevluchtsplaats zocht, merk je aan het feit dat Jünger zijn vrije geesten ook wel “Waldgänger” noemt. Niet mis, die metafoor, als je ze vergelijkt met de wildernis als de Germaanse topos met Wodan als rondtrekkende wijze, of met Lugus bij de Kelten. Het woud als zinbeeld van het duistere en onherbergzame (cfr. het Germaanse “Myrkwid”) impliceert dat hij of zij die er alleen in wil leven van een fysieke, morele en mentale superioriteit moet getuigen. De wil om een dergelijk leven te leiden komt voort uit het besef dat haast alles wat expliciet waar te nemen is hier op aarde zeer vergankelijk is. De eredienst van het vergankelijke is de religie van de moderne tijd, en daar doet de Anarch niet aan mee.
De student is niet alleen “vrolijk man”, maar ook geëngageerd Anarch. Wie de geest van een lied als “Burschen heraus” begrepen heeft weet waar het hier om draait. Ook wij horen anti(klein)burgerlijke krachten te zijn, bewust van wie we zijn en wie5 we zullen worden.
Tiwaz lic. phil. germ.
Literatuurlijst
Vervaeck, Bart (2002). Inleiding tot de algemene literatuurwetenschap. Brussel: VUB Press Dahl, Göran (1999). Radical conservatism and the future of politics. Londen: Sage Joyce, James (1996). A Picture Of The Artist As A Young Man. Harmondsworth: Penguin Thoreau, Henry David (1969). On civil disobedience. Chicago: Rand McNally Bey, Hakim (1985). TAZ. http://www.hermetic.com/bey/taz_cont.html Braun, Abdalbarr (2002). Warrior, Waldgänger, Anarch. http://www.geocities.com/integral_tradition/warrior.html