God schept het leven, de mens ziet er de kunst in om het te vernielen. Veel Europeanen menen dat wij in het – door ‘ons’ als ideaal beschouwde - ‘Westen’ dit gewelddadige stadium voorbij zijn. Het hangt er natuurlijk maar van af hoe je het bekijkt. Hoewel wij onszelf als geweldloos, vredelievend en ethisch correct bestempelen, is daar in de praktijk maar weinig van te merken.
Misschien getuigt het voor sommigen wel van een ongehoorde rebellie tegen het ‘Westen’ om zulke kritiek nog maar te poneren. Een welbepaald ethisch strijdpunt is daarvan een mooie illustratie. De paradoxie van theorie en praktijk van de Westerse beschaafdheid komt er duidelijk aan de oppervlakte. Laten we het hebben over abortus; haar geschiedenis; haar wetgeving; haar ethisch onvermogen; en haar gevolgen voor de maatschappij.
In de rechtsgeschiedenis over abortus is er sprake van een weinig grillig verloop. Al bij de eerste teksten waar verwezen wordt naar abortus wordt deze praktijk als verboden beschouwd. Een bekend voorbeeld is terug te vinden in de – voor medische studenten bekende – eed van Hippocrates. Hippocrates’ eed vraagt aan de studenten een vrouw nooit een instrument voor te schrijven dat een miskraam kan opwekken. We spreken dan van het jaar 400 voor Christus. Die anti-houding wijzigde in de loop der tijd nauwelijks in Europa. In de Klassieke Oudheid werd door de Romeinen in niet regelmatige perioden het ‘abortus provocatus’ wel gelegaliseerd.
Maar later wanneer het Christendom definitief voet aan wal kreeg in Europa en haar machtspositie tot aan het eind van de 18-19de eeuw wist te behouden, werd abortus in continentaal Europa tot 1789 gelijkgesteld met moord en werd bijgevolg zonder enige maatschappelijke kritiek strafbaar gesteld. Het duurt tot in de twintigste eeuw dat de nieuwe politieke stromingen als het liberalisme, communisme, socialisme en het nationaal-socialisme, die allen hun oorsprong kennen in de Franse Revolutie, ijveren naar een opheffing van het abortusverbod. De motivering van deze ijver valt te zoeken in hun strijd naar enerzijds de “verheerlijking van het individu” en anderzijds naar de ontplooiing van de collectieve samenleving/staat. Voor deze ideologiën was het niet verwerpelijk om de meest radicale middelen op te werpen om hun ideologie te verwezenlijken. Eigenlijk kan men spreken van een machiavellistisch idealisme.
Nazi-Duitsland is in die zin het beste praktische voorbeeld. Om tot de Übermensch te komen, waarnaar zij in hun nationaal-socialistische ideeën naar streefden, paste men de levensbeëindiging voor niet-geboren baby’s toe, waar al bij vastgesteld werd dat zij ziek of misvormd ter wereld zouden komen. Naast de realisering van het Germaanse superras zouden hierdoor ook de verzorgingskosten – gefinancierd door de staat – drastisch ingeperkt kunnen worden. Naast Nazi-Duitsland paste ook de communistische Sovjet-Unie abortus (legaal) toe[, al heeft Stalin de vrije abortus teruggeschroefd]. Deze twee supermachten van hun tijd waren hierdoor na bijna 2000 jaar de eersten in Europa dat het – door de traditie gegroeide – verbod op abortus doorbraken. Het duurt echter tot 1970 totdat ook abortus in de rest van Europa werd toegepast. Het maatschappelijk doorbreken van dat verbod was dan ook ‘revolutionair’ te noemen.
In onze kontreien gebeurde dat in de tweede helft van de 20ste eeuw. Op 3 april 1990 liet de rooms-rode regering Martens – in late navolging van Nederland - in het federaal parlement het wetsvoorstel Lallemand-Michielssens stemmen om de abortuswetgeving zo goed als te legaliseren. Het wetsvoorstel kon rekenen op de goedkeuring door het parlement bij wisselmeerderheid. Na de stemming moest de toenmalige koning Boudewijn de wet nog echter goedkeuren. Dat verliep niet meteen van een leien dakje. De koning weigerde zijn noodzakelijke krabbel te zetten om de wet effectief te bekrachtigen en zette het hele land in rep en roer door twee dagen onbekwaam te zijn verklaard om te regeren. Die “troonafstand” was in feite een paardenmiddel voor de regering om de wet alsnog te kunnen bekrachtigen.
Als we het over die wet zelf hebben dan kunnen we niet anders dan besluiten dat de belgische staat zelfs in deze materie uitblinkt in laksheid (net zoals in heel het strafrecht). België heeft immers één van de minst beperkende abortuswetgevingen ter wereld. Blijkbaar wil het hier alle andere landen overtreffen in de strijd om het meest progressieve beleid.
Maar laten we die wet nu even onder de loep nemen... Het gaat om artikel 348-353 in het Strafwetboek. Het voornaamste valt te lezen in artikel 350, waarin staat dat er geen sprake is van een misdrijf als de vrouw, die zich (letterlijk) bevindt in een ‘noodtoestand’, beroep doet op een dokter om zwangerschapsafbreking te bekomen.
Heel vaag allemaal, en dus makkelijk voor interpretatie vatbaar. Volgens de wet wordt abortus wordt eveneens niet gezien als een misdrijf wanneer de ingreep gebeurt voor twaalf weken na de bevruchting. Daaraan zijn enkele voorwaarden gekoppeld. De belangrijkste daarvan zijn onder andere dat de geneesheer de moeder moet inlichten over de gevaren en dat hij er zeker van moet zijn dat de ingreep de wil van de moeder respecteert. Alles wat dus buiten de wil van de vrouw gebeurt is in strijd met de wet en wordt dus beschouwd als een misdrijf.
Een abortieve ingreep kan evenwel plaatsvinden na de termijn van twaalf weken, maar dan wordt er enkel rekening gehouden met het gevaar voor de gezondheidstoestand van de moeder of wanneer het kind niet levensvatbaar geboren wordt. Zelfs voor een leek in de rechtswetenschappen is het duidelijk dat we hier – door een vergelijking te maken in de geschiedenis – te maken hebben met een revolutionaire wetgeving (die in feite al in de jaren ’80 in Nederland plaatsvond).
Hoe zit het nu met de ethische kant van de zaak? Een niet onbelangrijke vraag, want het gaat dan ook om het meest belangrijke aspect in de abortuspolemiek. Belangrijk omdat de ethiek (gezien door de traditioneel Europese bril) eigenlijk de kern van heel deze polemiek inhoudt. Zo zou er zonder een ethische beschouwing geen basis zijn, geen fundament waarop een (geschiedkundige) wetgeving zich zou kunnen baseren. Zonder een juiste en grondige ethische beschouwing van de wet is de strafmaat zoek. Hier kunnen we zelfs spreken van volgend principe: hoe toleranter deze wetgeving, hoe minder ethiek erin schuilgaat. Hier is het immers net de functie van het ethisch denken om de mens te doen inzien dat ingrepen zoals abortus vreselijk en misdadig zijn. De ethiek gaat op zoek naar het goede, niet naar het kwade. Het legaliseren van ‘moord’ kan daarom ook nooit het ‘goede’ impliceren. Het zou dus in strijd zijn met de Europese ethische waarden om abortus – zelfs in de geringste mate – te tolereren.
Een ethische beschouwing hangt ook onvermijdelijk en logisch genoeg samen met een levensbeschouwing (hier wordt de religieuze van de filosofische onderscheiden) die een invloed kan hebben op de samenleving. Nemen we bij ons bijvoorbeeld de katholieke kerk (die het grootste deel van onze geschiedenis en ons denken heeft kunnen beïnvloeden) die zich radikaal tegen abortus kant. Dat heeft een fundamentele reden. Aangezien de katholieke kerk elke vorm van leven – in welke fase ook – hoog in het vaandel draagt is het voorstander van nultolerantie tegenover abortus. Ethisch bekeken lijkt het ook wel de meeste correcte houding. Wie (al dan niet gelovig) het leven respecteert pleegt daarom bijvoorbeeld ook geen euthanasie. Een verklaring voor dat standpunt van de katholieken is ook niet zo moeilijk: zij (net zoals veel andere niet-katholieke gelovigen) gaan er immers van uit dat het leven door God gegeven is. Iedereen die het leven ridiucliseert door euthanasie te plegen, of iedereen die een leven vernietigt door abortus te plegen wordt door de katholieken gezien als een moordenaar. Daarnaast wordt volgens de katholieken ook nog eens gespot met de schepping van God de Vader. Volgens deze filosofie zou elke vrome katholieke abortus niet mogen tolereren.
Natuurlijk is dit maar theorie. In de praktijk is het zo dat de meeste katholieke gelovigen en katholieke leiders er een ander beeld op nahouden. Volgens die mensen zou de katholieke kerk progressiever moeten worden. Met andere woorden, de katholieke kerk zou een stuk van haar identiteit moeten inleveren. Dit met het doel op aanvaarding in de samenleving. De omgekeerde wereld: zoals de kerk vroeger met een berispende vinger de samenleving op haar fouten moest wijzen, zo doet de samenleving dit op haar beurt met de kerk.
Naast het katholicisme bestaat ook het atheïsme dat als grote filosofische/religieuze denkstroming ons Europees denken bepaalt. Het atheïsme moet theoretisch echter ingedeeld worden in een enerzijds existentialistisch en anderzijds humanistisch denkbeeld. Niet onbelangrijk, want het atheïsme zelf is een veel bredere stroming dan het katholicisme en laat veel ruimte open voor meerdere denkwijzen. De belangrijksten daarvan zijn dus het (seculiere) existentialisme en het (seculiere) humanisme. Er dient echter wel attent op gemaakt te worden dat ook binnen het katholicisme een zekere vorm van humanisme kan gemaakt worden, al zal ik hier niet dieper op ingegaan.
Als eerste beschouwen we het existentialisme waarin vooral de vrijheid van handelen centraal staat. De (seculiere) existentialisten gaan ervan uit dat niemand verantwoording moet afleggen en dat de volledige vrijheid een must moet zijn. De mens moet zichzelf immers verwerkelijken. Het existentialisme is daardoor dan ook verwant met het liberalisme en zelfs het neo-conservatisme. Toegepast op de abortuspolemiek zouden we kunnen zeggen dat existentialisten ervan uit gaan dat de moeder zelf over de vrijheid moet kunnen beschikken al dan niet abortus te plegen. In die optiek zouden we kunnen besluiten dat existentialistische atheïsten zich kunnen vinden in een gematigde vorm van abortuslegalisering. Dan hebben we het (seculiere) moderne humanisme waarin de mens als gelijkwaardig moet beschouwd worden. Het leven wordt als waardevol aanzien, en moet gerespecteerd worden. Elk mensenleven is evenveel waard als een ander. Vanuit dat oogpunt bekeken zou je kunnen stellen dat zulke denkers abortus slecht gezind zijn .
Met deze beperkte schets kan besloten worden dat een legalisering van abortus ‘geschiedkundig’ revolutionair was, ‘juridisch’ voor interpretatie vatbaar, en volgens ons traditioneel moreel denken onjuist. Abortus is daarom een gevolg van de progressieve beweging, die in de tweede helft van de 20ste eeuw (vooral tijdens/na mei ’68 en de Hippiebeweging) opgang maakte. Maar abortus is wel in strijd met de Europese geschiedenis van ons denken, zowel moreel als rationeel. Elke Europeaan die zijn geschiedenis, zijn gevoel voor ethiek en zijn recht liefheeft en respecteert, moet voelen dat abortus verkeerd is. Ons Europees denken is nu echter door die progressieve beweging zodanig vervaagd dat het zonder een conservatieve revolutie onmogelijk wordt om onze ware traditionele waarden te herstellen! Daarom, uit respect voor de dood van veel ongeboren baby’s, uit respect voor ons Europees denken: op naar de nationaal-conservatieve revolutie!
Matthias Bonte stud.rer.jur. Scriptor NSV!-Gent 2007-'08