De eerste levensvoorwaarde waaraan een ethnische volksgroep behoefte heeft, is wel die van een aangepaste ruimte met eigen klimaat.
De ruimte waarin het Vlaamsche volk zich eeuwenlang heeft bewogen is, te wijten aan de politieke conjunctuur, uiterst beperkt en werd dan nog herhaaldelijk ingekrompen ten nadeele van zijn natuurlijke volkskracht. Het historisch klimaat waaronder wij geleefd hebben, heeft vaak schadelijk op onzen volksaard ingewerkt. Indien ons ras van huis uit niet zulke onverwoestbare vitaliteit had bezeten, zou het fataal gestikt zijn binnen zijn enge grenzen, ofwel door een vreemde ethnie zijn opgeslorpt.
Wij blijken nu eenmaal een onuitroeibaar en zelfs onoplosbaar element te zijn, waarmee idere staatsmacht – hoe autoritair en centraliseerend ook, - rekening zal dienen te houden. Ook zullen zij, die hier te lande de wording van een vrije Vlaamsche volksgemeenschap bestrijden, best de illusie laten varen dat zij, na dezen oorlog, nu eens voorgoed de Vlaamsche zelfstandigheidsidee kunnen nekken, of althans haar vollen uitgroei verhinderen door het dwangbuis van een autoritairen eenheidsstaat. En overigens mag de heele wereld weten, dat de taaie, keikoppige Vlamingen, eventueel goede en trouwe vrienden zijn, maar slechte en onbetrouwbare knechten.
Wij willen beslist onszelf zijn, omdat het de drang is van onzen onverwoestbaren wezensaard, de drift van ons rijke bloed, het postulaat voor een weelderigen Dietschen wezensbloei, waaraan ook de buurvolkeren zich, morgen zooals in het verleden, kunnen verlustigen. Om onszelf te kunnen zijn, behoeven we een eigen Vlaamsche levensruimte, met eigen Vlaamsche atmosfeer.
Waar het Dietsche volk deze levensvoorwaarden verwezenlijkte, - zij het dan ook niet ten volle, - in de tijdspanne tusschen de dertiende en de zeventiende eeuw, ontplooide het zijn wezensaard in een stralenden cultureelen bloei. Wanneer echter van lieverlede onze levensruimte op eigen bodem werd beperkt door overmachtige indringers, en onze atmosfeer werd vergiftigd door wezensvreemde invloeden, is onze volkskracht gaan verslensen lijk een plant, die van haar passende ruimte en van het natuureigen klimaat wordt beroofd.
Onze historische Vlaamsche Beweging is niets anders geweest dan het moeizaam stage streven van een kerngezond volk, dat niet sterven kan, niet sterven wil, naar een eigen Vlaamsche atmosfeer, om toch eindelijk zichzelf te worden en uit te groeien tot een zelfstandige vruchtbare volksgemeenschap.
In die richting ijverden – hetzij naar de belgicistische formule, hetzij naar de radicaal nationale opvatting, - de volkgetrouwen onder de aanhangers onzer vooroorlogsche Vlaamsche partijgroepeeringen. En het opzet van hen die droomden van een Groot-Nederland of van een restauratie van den Boergondischen Staat, was vooral geïnspireerd door de bekommernis om aan het Vlaamsche volk een natuurlijk-vruchtbaren, tevens waardigen voedingsbodem onder eigen lucht te schenken.
Andermaal heeft de eeuwige spelbreker, de oorlog, alle concrete plannen en mooie droomen vergruizeld. Doch de Vlaamsche zelfstandigheidsidee blijft gaaf en levendig, ofschoon wij niet weten onder welken vorm en binnen welk levenskader zij in de toekomst zal worden belichaamd.
Voor wie de politieke geschiedenis van West-Europa verstaat, wordt het duidelijk dat het kleine Vlaanderen niet eigenmachtig over zijn politieke lotsbestemming kan beslissen, - al geeft men nog zoo hoog op van het zelfbestemmingsrecht der volkeren. De ervaring uit twee wereldoorlogen opgedaan, heeft ons geleerd, dat het “sacro-egoïsmo†der grootmachten de belangen van de kleine naties aan de eigen belangen ondergeschikt maakt. Bovendien laat de op til zijnde politieke en economische structuur van ons werelddeel vermoeden dat de zwakkere staten stevig in de belangensfeer der grootmogendheden zullen worden ingeschakeld.
Welk echter ook het statuut mag zijn dat ons wordt toebedeeld, wij eischen onverzettelijk, als historisch gegroeide, specifiek volkskrachtige gemeenschap, onze eigen Vlaamsche levensruimte met eigen Vlaamsche atmosfeer. Wij eischen den ganschen Vlaamschen grond onverminkt en de gansche lucht ongeschonden Vlaamsch.
De luide eisch van de natuurwet, en meer bepaald van onzen vrijen dynamischen volksaard, klinkt niet als een bazuinstoot tot onverzoenlijken strijd. Wij zijn weliswaar een ras van vechtende poorters, doch wij vochten steeds om te winnen wat was recht. Imperialistische bedoelingen zijn ons vreemd: wij staan op ons recht, maar gunnen hun volle recht aan anderen. Wij zijn een vreedzaam volk, dat rustig op eigen erf wil arbeiden aan zelfvoltooiing, doch tevens geestdriftig bereid is om, in vriendschap, met naburige ethnische volksgroepen samen te werken aan de pacificatie en den geestelijken wederopbouw van de Westersche volkenfamilie.
Geenszins wenschen we ons rechtstreeks of langs omwegen met de aangelegenheden van anderen in te laten, maar we verdragen ook niet langer, dat volksvreemden zich met ons huishouden bemoeien of door heimelijke sabotage een kunstmatige volksgespletenheid te onzent in de hand werken. Wij koesteren hoegenaamd niet de loensche hoop, dat onze geëxporteerde overtollige volksracht elders een Vlaamsche irredenta zou scheppen, met het ook op latere aanspraken: wie van ons uitwijken, dienen zich bij hun nieuwe gemeenschap aan te passen. Maar wij dulden evenmin, dat er binnen ons gebied cultuureilandjes zouden voortbestaan en broeien als haarden die onze volksgezondheid in gevaar brengen.
Eerst wanneer wij in het soevereine bezit zijn van den integralen historisch-Vlaamschen grond, wanneer wij de vrije, zuivere Vlaamsche lucht over al onze gouwen inademen, - dan eerstkan, met Gods zegen, de stoere arbeid gedijen die het moderne Vlaanderen moet omscheppen tot de oude, wezenstrouwe, volksverbonden, krachtige gemeenschap, en meteen tot een fier lichtende natie in het Nieuwe Europa.
p. 155-158
Dr. PAUL DRIESKENS, in Levet Scone, 1943