Jan Frans Willems, de vader van de Vlaamse Beweging, en Jan Frans Willems, verzamelaar van Vlaamse volksliederen. Waarom hield deze grote voorman in de strijd voor de Vlaamse ontvoogding zich bezig met volksliederen?
Omdat het volkslied, ondanks het feit dat het nog bestaat, een zekere dood tegemoet gaat. Iedereen die dit leest moet voor zichzelf maar eens nagaan hoeveel volksliederen hij of zij nog kent. En hoeveel worden er nog gezongen? Door het volkslied te laten vallen gaat een hele brok kultuur verloren. En wat krijgen we in de plaats? Een hit die nog slechts een levensduur kent van 14 dagen i.p.v. een lied dat eeuwen oud werd.
Nu weet u echter nog steeds niet welk verband er bestaat tussen het eenvoudige volkslied en de Vlaamse strijd. Het antwoord kent u, wanneer de rest niet ongelezen blijft.
Kenmerken en oorsprong. Een volkslied wendt zich tot het ganse volk en dient gezongen te worden. “Het is … de loutere pret van het zingen, die onbewust en argeloos zijn grond vindt in het ritmisch bewegen van mond, keel en lippen†(Dr. Jop Bollman).
Het is eenvoudig, anoniem, onpersoonlijk, eeuwig en van overdreven sentimentaliteit gespaard. Het weerspiegelt echter ook het gemoed van een volk. De sociale, ekonomische, klimatologische, geografische, politieke, religieuze en andere omstandigheden drukken elk in meer of mindere mate hun stempel op een volk.
Denk maar even aan de temperamentvolle Hongaar, de koele, zwaarmoedige Noor of de gelijkmoedige Bruegheliaanse Vlaming.
Elk volkslied draagt de eigen volkskenmerken met zich mee, zodat men spreekt van het volkslied als spiegelbeeld van het volksgemoed. Het onze is eerder eenvoudig van vorm en melodie. Of onze kinderen blije of droevige gebeurtenissen bezingen, ze zijn steeds even blij van toon en werden dus van alle sentimentaliteit ontdaan.
Overlevering. Oorspronkelijk bestond enkel de mondelinge overlevering. Indien de Germanen reeds liederen optekenden, dan zijn die geschriften bij de volksverhuizing verwoest.
In de middeleeuwen hadden de monniken alleen aandacht voor geestelijke liederen. Het gebeurde echter ook dat de wereldlijke volksliederen een geestelijke tekst meekregen.
Bij de uitvinding van de boekdrukkunst ging met liedblaadjes en –boeken drukken.
Het Calvinisme in (Noord-)Nederland roeide het volkslied bijna volledig uit: “Alle mensen zijn belast met de erfzonde en moeten zich onthouden van alle ‘vleeschelick’ vermaak zoals lied, dans en toneelspelâ€.
Dit verklaart waarom het volkslied in Nederland zo schaars is en niet meer gezongen wordt. Daarom ook kennen ze geen volkse zangers zoals wij Vermanderen, De Buck en Wannes Van de Velde. Hun liederen op politieke gebeurtenissen in Nederland zijn niet zo volks als die van Jef Elbers. Vanzelfsprekend moeten we die reden nu niet meer in godsdienstige richting zoeken. Wanneer de voorouders gedurende enkele eeuwen niet meer zongen, waarom zouden de mensen het dan nu doen in een tijd die door het verval van het volkslied wordt gekenmerkt?
In Vlaanderen was de dekadente invloed van de rederijkers zeer groot. Maar zelfs het verbod van Karel V in 1555 en het radikale verbod van Filips II nog volksliederen te drukken, evenals de universiteiten die liedboeken op de indeks plaatsten, waren niet machtig genoeg om de zanglust van het volk te stuiten. Soms moest iemand de verkoop van liedboeken wel met de dood bekopen. Zo werd een man door de Inquisitie beschuldigd en opgeknoopt. En toch bleef het volkslied leven.
Tussen 1840 en 1910 begon men in Vlaanderen volksliederen te verzamelen. Aan de Vlaming Flor Van Duyse danken we het degelijk standaardwerk “Het oude Nederlandse Volksliedâ€.
De waarde van het volkslied. De mensen zongen vroeger bij religieuze plechtigheden, volksfeesten, in de huiskring of bij de arbeid. Nu luisteren de mensen enkel nog naar wat radio of versterker over hen uitbraakt. Ze nemen zich zelfs niet meer de moeite om selektief te werk te gaan.
Plaatst men het eenvoudige, anonieme volkslied met zijn meestal zinloze teksten naast een kunstlied van Schubert op tekst van Schiller, dan krijgt dit laatste de hoogste waarde. Maar hoeveel vertelt het volkslied niet over het leven van de mensen uit elke klasse, over de godsdienstige en politieke troebelen, over arbeid en vermaak, gebruiken en gewoonten uit vroegere tijden. Heeft het volkslied niet een harde strijd te voeren tegen zijn grootste vijand: De technische vooruitgang? En behaalt het niet zijn overwinningen? Men tekent ze op, haalt ze terug uit de vergeethoek en zelfs hier en daar wordt het weer gezongen. Staat het simpele volkslied niet hoog verheven boven alle mogelijke technisch-vernuftige concerto’s voor ‘gasbuis en maagpomp’?
Het staat onomstotelijk vast dat onze volksmuziek een belangrijke plaats inneemt in onze kultuurschat. Moeten we er niet trots op zijn dat Vlaanderen niet alleen in de schilderkunst veel betekende? Ik durf zelfs beweren dat het Vlaanderen van voor de 17-de eeuw de bakermat was van de West-Europese klassieke muziek (ook Beethoven is van Vlaamse oorsprong).
Daarom mogen we niet dulden dat een misviering ‘opgeluisterd’ wordt door blues of erger nog, door beat. Daarom is het ook de taak van de onderwijzer(es) om volksliederen aan te leren i.p.v. gemakkelijkheidshalve het “Smurfenlied†te kopen en op stencil te zetten. Daarom ook is het niet aan de muziekleerkrachten uit het middelbaar onderwijs om eveneens gemakkelijkheidshalve de laatste nieuwe L.P. van een popgroep te beluisteren en te bespreken.
Wist u dat al wie (zelfs zonder enig politiek motief) lid was van de V.I.V.O. en deelnam aan de georganiseerde volksdansnamiddagen, eveneens door de repressie getroffen werd? Bewijst dit niet voldoende dat de Belgische regering schrik heeft voor de grote invloed die de Vlaamse volksmuziek uitstraalt? En waarom durft de B.R.T. slechts nu en dan een zeer onschuldig stukje muziek van Benoit laten horen?
Het is onze plicht om de volksmuziek te bewaren en tijdens een wandeling, in vrolijk gezelschap of in een goede bui volksliederen te zingen i.p.v. kultuur-afbrekende hitliedjes. Wij moeten verhinderen dat de volksliederenschat tot een brok romantisch verleden gedegradeerd wordt.
“Muziek is de moedertaal van het hart!â€
Wilhelmus van Nassauwe.
De eerste geschreven versie van het Wilhelmus dateert uit 1581 waar het in “een nieu Geusen boeckscen†voorkomt. Het kwam ook nog in verschillende andere liedboeken voor, wat bewijst dat het Wilhelmus wel degelijk een volkslied is. Spijtig genoeg is de melodie van Franse oorsprong. Waarschijnlijk is ze afgeleid van het lied dat gezongen werd bij het beleg van Chartres in 1568. Dit lied zou op zijn beurt ontstaan zijn uit enkele trompetsignalen.
De melodie zelf veranderde enkele malen. Diegene welke wij nu zingen werd door Valerius in zijn “Nederlandse Ghedenck-clanc†vastgelegd. Het lied telt 15 strofen.
De Vlaamse Leeuw.
Onze eigen hymne is geen volkslied omdat het niet anoniem is. Het werd nl. getoondicht door Karel Miry. De melodie werd sterk geïnspireerd door het Duitse lied “Sie werden ihn nicht haben, den freien Rheinâ€.
Wilt heden nu treden.
Een ander mooi lied dat we in Valerius’ Gedenckclanc aantreffen, is een echt Nederlands lied met een eigen melodie. Een jongeman vertelt in dit lied, hoe hij door het verraad van zijn geliefde ter dood gebracht wordt. (“Heij, wilder dan wilt…â€). Valerius schreef echter een nieuwe tekst op dit lied als dank voor de vele overwinningen, die Prins Maurits in 1597 behaalde.