Indien men kunst in algemene zin kan omschrijven als “de vaardigheid in het maken van mooie dingenâ€, dan zal Levenskunst wel bestaan in het “scheppen van levensschoonheidâ€. Een “schoon levenâ€, in volle betekenis van het woord, wordt niet gerealiseerd in luilekker epicuristisch genieten, noch in stoïcijnse onverschilligheid. Evenmin wordt echte levensschoonheid, bij individu en collectiviteit, opgebouwd uit louter fysische kracht of stoffelijke welvaart. Omdat de mens in zijn diepste wezen een geestelijk subject is, wordt menselijke levensschoonheid geboren uit zijn geestelijk-ethische levensactiviteit.
Vanzelfsprekend is – uit hoofde van onze spiritueel-materiële samenstelling, - de menselijke levensactiviteit enigszins afhankelijk van de stof. Derhalve gaat dan ook onze aandacht gedeeltelijk naar de fysieke gezondheid en de economische belangen van enkeling en samenleving. Het stoffelijke is echter ondergeschikt aan het geestelijke en wordt enkel als hulpmateriaal bij de uitbouw van de hogere menselijke levensschoonheid aangewend.
Levensschoonheid is dynamische, harmonische uitstraling van de naar een geestelijk-ethische voltooiing strevende menselijke wezensaard. Zij spreidt een subtiele glans over de bedrijvigheid van individu en gemeenschap en is de maatstaf bij het bepalen van de persoonlijke waarde en van de volksgrootheid.
Iedere mens en iedere etnische mensengroep, doordat zij onderworpen zijn aan de levenswet van dynamisch voortbewegen naar het einddoel, is, bij dit streven naar volmaking, aangewezen op de hulp van andere wezens.
De strevende activiteit van de mens – aldus prof. M. De Raeymaeker (1), - bestaat in het ontlenen aan andere wezens, in het zich enigermate eigen maken van wat geschikt is om te voltooien, m.a.w. in het assimilieren van wat met “Waarden†noemt. De waarden zijn het “goede†waarmee het eindig wezen zich verrijkt, zonder er zijn zelfstandigheid bij te verliezen.
Volgens Nietzsche zou het menselijk leven niet gebonden zijn aan voorafbestaande waarden, het schept zijn idealen en ieder voor zichzelf stelt een eigen waardenschaal op. Doch in onze opvatting staat het vast, dat het menselijk subject, als geestelijk wezen, van nature uit aangewezen is op een bepaalde “waardenkringâ€, nl. de kring der geestelijke waarden, waardoor ons wezen zich verrijkt en naar geestelijke voltooiing opgaat.
Uit die waarden, die wij aanvoelen en doorschouwen, bouwt het menselijk verstand een “waardensysteem†op, een waardenschaal met waardenideeën. De rangorde der waarden wordt bepaald door den graad van volmaaktheid, die zij het strevend subject bijbrengen. Voor ons, katholieken, hebben de godsdienstige waarden de onbetwistbare voorrang op alle anderen, omdat zij de mens – en bijgevolg ook de volksgemeenschap – volmaken in de richting van uiteindelijk bovennatuurlijk levensdoel.
Het vastgelegde en geordende waardensysteem wordt tot zogeheten “levensbeschouwingâ€, die aan het menselijk streven en handelen ten grondslag ligt. Elk mensenleven, hoe onbeduidend en laag het ook mag zijn, wordt opgetrokken op de basis van een of andere, vaak onbewuste levensvisie, die min of meer logisch wordt doorgevoerd.
Om vruchtbaar door te dringen tot het leven in al zijn vertakkingen, moet de levensbeschouwing iets anders zijn dan een mooie droom; ze hoort een concrete visie en een gebiedende overtuiging te worden, waardoor de waardenideeën worden omgezet in consequente “levenshoudingâ€.
Zich naar een hogere levensbeschouwing zo te gedragen in zijn levenshouding, dat men zich de passende levenswaarden toe-eigent, er zijn wezen om zo te zeggen mee voedt en het verrijkt tot de uitstralende wezensbloei van levensschoonheid, - dit is wat wij verstaan onder Levenskunst.
De geestelijke levenswaarden zijn universeel geldend voor alle mensen, doch ze worden verschillend ontvangen en genuanceerd verwerkt door de onderscheiden mensengeslachten in de tijd en in de ruimte.
Aangezien de mensen de algemeen-menselijke wezenheid toch op een treffend concrete en individuele wijze dragen, voornamelijk ten gevolge van hun raciaal complex en het historisch maatschappelijk milieu waarin ze bewegen, is het begrijpelijk dat althans elke etnische volksgroep, op een specifieke manier op de universele waarden reageert. Het zijn dezelfde universele waarden van het ware, het goede en het schone, waaraan ieder volk zich voedt, doch het past ze bij zijn eigen psyche aan, het vermengt ze met zijn persoonlijk ethos, zodat het universele door iedere etniciteit met een karakteristieke kleur van volks particularisme wordt gestempeld.
Aldus is een rijk gamma van beschavingen in de loop der tijden ontstaan en spreken we van de Franse cultuur, de Duitse cultuur, enz., als van de vruchten der universele waarden zoals zij gerijpt zijn, met specifieke kleur en smaak, op een bepaalde volkse bodem.
Iedere zelfstandige gave etniciteit schept de universele waardenideeën enigszins om in een eigen waardenkring, waaruit de volksaard het aangepast geestelijk voedsel haalt voor zijn normale levensactiviteit. Op haar beurt verwerkt een gezonde volksgemeenschap dit levenssap tot bloedeigen cultuurwaarden, waarin zij haar wezensaard tot uitstraling brengt, en die als het geestelijk erf worden beschouwd en als nationaal patrimonium overgeleverd. In zijn taal, in zijn kunst, in zijn godsdienstige traditie, in zijn wetenschap, zijn instellingen en gebruiken, zelfs in zijn techniek, legt een volk zijn zelfexpressie. Aan dit cultuurbezit voeden zich zijn achtereenvolgende generaties.
“Daarin steekt, volgens Mgr. Hoogveld in zijn studie over Het Wezen der Volksgemeenschap, de waarde der natie, dat zij de menselijke volmaaktheid in een bepaalde vorm verwezenlijkt en daarmee een betrekkelijk hoogtepunt van menselijk kunnen en doen bereikt. Zeker, dat is geen al-grootheid, het sluit zelfs uiteraard een zekere eenzijdigheid in: bij iedere natie, bedenken we dit wel. Doch het is nu eenmaal de enige manier waardoor wij, mensjes, ’n zekere grootheid kunnen bereiken, als enkeling en als groep. Dat volgroeid eigene is de rijpe kracht, het impetueuze, waaruit geboren is al wat wij, nu eenmaal onherroepelijk beperkte wezens, in den loop der geschiedenis aan waarden hebben voortgebracht. Daarom is het onderdrukken van een natie, een moordaanslag op een stuk leven van Gods rijk-geschakeerde scheppingâ€. (2)
Het Vlaamse volk, zoals hoger werd aangetoond, heeft van meet af vinnig en typisch gereageerd op de universele geestelijke waarden die hem zijn toegevloeid op het kruispunt van de West-Europese beschaving. Het heeft edelmoedig de prikkel van het louterende christendom beantwoord, de dynamische natuurlijk-bovennatuurlijke kracht van de christelijke beschaving in zijn diepste wezensaard opgenomen en omgevormd tot de karakteristieke Vlaamse vroomheid, in levensbeschouwing en levenshouding. Geleidelijk heeft het de elementen van de Latijns-Germaanse cultuur in zijn psyche opgeslorpt en zich ontwikkeld tot een cultureel zelfstandige volksgemeenschap met eigen taal en kunst, eigen wetenschappelijke bedrijvigheid, eigen instellingen, kortom met eigen leven, eigen fysionomie.
Zolang Dietsland wezenstrouw heeft gearbeid aan zelfvolmaking, zolang het de wetten der Vlaamse Levenskunst heeft verstaan en nageleefd, - zólang, maar ook niet langer, is het in de geschiedenis opgetreden als een echt groot volk, een schoon-menselijk volk, dat eerbied en bewondering afdwong.
Wij willen beslist, dat Vlaanderen andermaal en ten volle naar zuivere volksgrootheid en stralende levensschoonheid opgaat. Wij willen de gulle middeleeuwse volksgroet: “Levet Scone ! “ als bezielend parool doen opklinken, als hartenwens voor alle volksgenoten in vervulling doen gaan.
Maar dan dienen wij even beslist ons verworden en vervreemd Vlaamse volk, individueel en collectief, in te wijden en te trainen in de Vlaamse Levenskunst !
Dankzij deze specifiek-Vlaamse Levenskunst, zullen de Vlamingen leren, als enkelingen en als volksgemeenschap, zichzelf te kennen en zichzelf te zijn, om zodoende, wezenstrouw en zelfbewust, tuchtvol en volksverbonden, door vreedzame arbeid, juichend op te streven naar de toppen van harmonische levensschoonheid en gedegen volksgrootheid.
Ons volk in de subtiele Vlaamse Levenskunst op te leiden, is de grootse taak der Vlaams-volkse Opvoeding.
p. 159-164
Dr. PAUL DRIESKENS, in Levet Scone, 1943
(1) Dr. L. DE RAEYMAEKER, Ontologie, Algemeene Metaphysica, blz. 165 tot 175.
(2) Mgr. Prof. Dr. J. HOOGVELD, Het Wezen der Volksgemeenschap, blz. 20.
[Op veelvuldig verzoek is de spelling van deze reeks voortaan aangepast aan de hedendaagse. Zinsstructuren en woordgebruik kunnen archaïsch blijven aandoen echter.]