« Opvoeden » – zegt O. Willmann (1), – « is niet enkel een leven-bevorderen, maar een leven-geven. Met het voorttelen komt opvoeden overeen, waarin het niet een uiterlijke of lichamelijke, maar een innerlijke en zedelijke levensvorm schept. »
Het is de verheven roeping der opvoeding, de mensen toe te rusten tot hun hogere menselijke levensactiviteit. Dit geschiedt niet slechts door het aankweken van kennis en vaardigheden, doch voornamelijk door het kneden en vormen van de zedelijke persoonlijkheid.
Dit is trouwens de opvatting van O. Willmann zelf, waar hij verklaart (3): « Het individueel ethos van de opvoeding is onafscheidbaar verbonden met het sociale. In weerwil van de grote speelruimte die ze aan de individualiteit laat, en ter wille van haar persoonlijke basis moet overlaten, doet de opvoeding zich voor als een collectief werk, waarvan de gemeenschap min of meer als de draagster optreedt. »
Op gezag van de uitspraak van deze twee eminente denkers en pedagogen, mogen we veilig concluderen, dat de opvoeding – wil ze haar zending ten volle realiseren, – steeds een volks karakter moet dragen, en dat de opvoeding in Vlaanderen uitgesproken Vlaamsch-volks moet zijn.
Het volstaat niet, dat ieder Vlaming individueel tot een intellectueel-zedelijke persoonlijkheid zou worden opgeleid; die opleiding moet geschieden in verband met, en in functie van de Vlaamse volksgemeenschap. De opvoeding van alle Vlaamse volksgenoten moet worden doorweven met de draad van het Vlaams-volkse, zodat elke voltooide persoonlijkheid stevig en harmonisch tegelijk, wordt ingeweven in het stramien van de Vlaamse collectiviteit.
Op die ene, heldere, verantwoorde en tot vaste overtuiging samengedrongen Vlaamse levensbeschouwing, op die grondslag uit het graniet van onze volksaard, zal dan van lieverlede oprijzen: de volksverbonden en toch ruime, de volkse en toch voorname Vlaamse levenshouding.
Een Vlaamse levenshouding in een eigen Vlaams huis! Meer dan honderd jaar lang heeft ons zichzelf bewust wordende volk er met heimwee naar gehunkerd. Al die tijd heeft “Moeder Vlaanderen†zich laten paaien met een bouwvallige tweewoonst, waarin zij, als een Assepoester, de donkere, vunzige achtergebouwen met haar krioelend kroost mocht betrekken. Hoe zouden de kinderen hebben kunnen opgroeien tot een krachtig, wezenstrouw en fier geslacht, in die drukkende engte en wezensvreemde atmosfeer, waar zij niet eens in de taal en de geest en het hart van hun moeder werd opgevoed? Nu en dan werd er meesmuilend wat gelapt aan de barsten van de buitenmuren, werd er een hokje aangetimmerd, een zoldervenster bijgestoken! Zelfs werd, noodgedwongen, - maar dan ook als allerlaatste gunst, - toegestaan dat de kinderen in de taal van hun moeder mochten worden opgekweekt. Overigens bleef de huisbaas onverbiddelijk, zonder begrip noch gevoel voor de behoefte aan licht en ruimte en eigen leven van het groeiend Vlaams gezin.
Intussen is dit romantisch Assepoester-sprookje voorgoed verzwonden voor de efficiency-literatuur van een nieuwe, zelfbewuste en krachtige generatie die, door daden van pragmatisch idealisme, het epos van het vrije herboren Vlaanderen uitwerkt.
Het nieuwe Vlaanderen wil beslist een eigen huis, weids en schoon, pignon sur rue! Wij zullen het bouwen met eigen handen, in historisch-Vlaamse stijl. Desnoods naast dat van onze voormalige huisgenoot, in vreedzaam overleg, maar zelfstandig.
En in dit heerlijk Steen zal “Moeder Vlaanderen†vorstelijk heersen en zelf al haar kinderen opvoeden tot dragers en verspreiders van levensschoonheid.
p. 165-168
Dr. PAUL DRIESKENS, in Levet Scone, 1943
(1) Otto Willmann, Didaktiek, 1ste deel, blz. 36
(2) Kardinaal D. Mercier, Inleiding bij de Nederlandsche bewerking der Didaktiek van O. Willmann; blz. 5.
« De opvoeder der jeugd heeft zijn taak geenszins afgewerkt, wanneer hij de ziel van de kwekeling heeft afgezonderd van het natuurlijk milieu en de historische traditie waartoe hij behoort, om te trachten de persoonlijke waarde van de leerling te doen aangroeien. De natuur laat het kind geboren worden in een concreet, familiaal, sociaal, wetenschappelijk, esthetisch, religieus midden en de geschiedenis plaatst het op een bepaald moment in de tijd. In die omgeving, op dat historisch moment is het, dat ieder mens evolueert, een rol vervult, een taak aanvaardt. Derhalve is de vorming van de leerling een aangelegenheid met sociale draagwijdte. De opvoeder moet verder en hoger schouwen dan op het kind, hij moet zijn blik gevestigd houden op het ideaal van een voortschrijdende beschaving, hij moet de schat der erfgoederen bewaren, hem actueel verrijken en bijdragen tot de aangroei ervan in de toekomst. De jeugd opvoeden is, ze inlijven in de zedelijke instellingen waaruit de sociale structuur is opgebouwd, om zodoende aan het nageslacht de goederen over te dragen die de schat van onze huidige beschaving uitmaken.»
(3) Otto Willmann, op. cit. blz. 38.
[Op veelvuldig verzoek is de spelling van deze reeks voortaan aangepast aan de hedendaagse. Zinsstructuren en woordgebruik kunnen archaïsch blijven aandoen echter.]