Vlaams-nationalisten worden wel eens verweten er een provincialistische denkgang op na te houden, ze kijken niet verder dan hun neus lang is of komen niet onder de schaduw van hun plaatselijke kerktoren uit.
Echter, zonder in dit provincialistisch denken te willen vervallen, wordt ons Vlaams bewustzijn hier in Vlaanderen gevormd. Een nationaal gevoel kan maar ontstaan uit een gedeelde geschiedenis, door te leven binnen dezelfde grenzen, door zich te ontwikkelen op eenzelfde grond. Om tot dat Vlaams bewustzijn te komen is het niet enkel noodzakelijk voort te spruiten uit eenzelfde geschiedenis, deze geschiedenis moet tevens beleefd worden. Deze gedeelde geschiedenis moet leiden tot een gedeeld denken, een gedeeld bewustzijn, een gedeelde Vlaamse geest. Dit kan men enkel bekomen door zichzelf te verdiepen in datgene wat de Vlaamse geschiedenis maakt. Men moet de Vlaamse schrijvers, dichters, redenaars van weleer weer leren kennen.
Wie is nog thuis in het denken van Dosfel, Verschaeve, Leuridan, Borms, Delvo, Van Severen, Craeybeeckx, …? Wie leest er nog Van der Hallen, Moens, Rodenbach, Gezelle, Claes, Conscience, …? Vlaanderen zo klein, maar tegelijk zo’n bron van inspiratie dewelke waarin men te weinig een ontdekkingsreis onderneemt.
Al te snel steken Vlaams-nationalisten de grenzen over op zoek naar een inspiratiebron, opzoek naar geestelijke stimulering. Dat is niet verkeerd, sterker nog, dat is noodzakelijk. Men moet verkomen dat men verstart en door intellectuele inteelt verdort. Echter, de bron dient Vlaams te zijn. De wortels en de stam zijn Vlaams, de takken Europees. Men mag niet vergeten bij zichzelf te beginnen, hier in Vlaanderen, en wanneer men voldoende gesterkt is, dan is men klaar om de stap naar Europa te wagen.
Hieronder volgt een schrijven van Lodewijk Dosfel (1881-1925) aan een strijdgenoot uit zijn tijd.
Albrecht van der Schelden
[Albrecht van der Schelden is Commilito en medewerker aan de Nationalistische Vormingscel. De meningen geuit in bovenstaande inleiding weerspiegelen echter niet noodzakelijk deze van de NSV!]
Mijn nationalistische strijdgenoot,
Mag ik u, in gemoede iets vragen: Lees minder boeken, gooi de zolder op voor een tijd al dat Frans, dat Duits, dat Europees; ga wandelen, “sta te midden in’t veldâ€, schouw in de diepte des hemels, aanhoor wat elke wind u medebrengt, herlees Gezelle, Rodenbach, Verriest, al onze eigen goede Vlaamse schrijver en dichters, stap langs de Leie door de duinen, in de weiden van Veurne-Ambacht, ga bij Verschaeve, luister naar de Kerelsliederen, neem een krachtbad in Vlaams romantisme. Gij hebt dat nodig.
Werp de Europese modeprullen van u weg! Kommuniceer met de aarde van Vlaanderen, kniel neer in de grond met martelaarsbloed gedrenkt en bedenk, dat het “bloed des volks Vlaams roeptâ€. Bid in onze Vlaamse kerken en bedevaartplaatsen de “gebeden voor Vlaanderen†van Verschaeve, het gebed voor Vlaanderen door Ons Vaderland uitgegevens, zing de Psalm van Rodenbach. Wees eenvoudig en simpel, sta open voor de waarheid als de bloem voor de dauw, dan komt zij tot u, los van Londense nevel, Duitse dampen, Franse rook, Oosterse opium, met klederen als sneeuw van-zon-doorlaaid. Droom, met jeugd-liefde, aller mooiste dromen: van nieuw-Vlaanderen, oprijzend in de dageraad, getooid “gelijk een bruid voor haar bruidegomâ€, in bloemenlente, als de uitverkorene van het Hooglied.
De wet van ons nationalisme vindt ge in onze geschiedenis, bij onze redenaars, onze schrijvers, onze dichters. Zij werd geschreven met bloed van onze helden, tranen van onze martelaars, liefde van onze zangers.[1]