8 september 1944. De regering Pierlot keert naar België terug. Het land had nu wel haar vrijheid en haar regering terug, maar nog niet haar soeverein. Die zou nog tot mei 1945 “in krijgsgevangenschap†in Oostenrijk verblijven. De regering Pierlot ging op in een symbolische regering van nationale eenheid onder leiding van Achille Van Acker. Die gedachte van nationale eenheid was er gekomen als antwoord op de honderdduizenden Verdinaso- en VNV-leden in Vlaanderen en de anderhalf miljoen leden van Rex in Wallonië.
De samenstelling van deze regering (met de communisten nota bene) was een slinkse manier om de uitgetelde rechterzijde in beide landsdelen definitief het zwijgen op te leggen. De liberalen Van Glabbeke en Buisseret namen hun revanche op de Vlaamse solidaristen, die het volk een waardig alternatief voor het kapitalisme hadden voorgesteld en die strijd in de jaren ’30 ook gewonnen hadden. De unionistische katholieken konden in Vlaanderen beginnen aan hun afrekening met de Vlaamse Beweging (minister van oorlogsslachtoffers Henri Pauwels had plechtig aan de partijtop beloofd om Borms, de geestelijke vader van de Vlaamse zoektocht naar identiteit, ter dood te veroordelen. Hij slaagde er ook in. De seniele Borms, kreupel door een verkeersongeval, werd twee dagen voor zijn 68e verjaardag in de kazerne van Etterbeek op een brancard voor het vuurpeloton geleid. Omdat hij zich onmogelijk op eigen kracht kon rechthouden werd hij maar liggend op de grond geëxecuteerd. De dossiers van zijn hoger beroep voor het Hof van Beroep in Brussel zijn net als de dossiers van andere Vlaamse strijders “verloren gegaanâ€.) De socialisten tenslotte hadden nog een intern eitje te pellen met de groep rond Hendrik De Man, de minister van Werk tijdens het interbellum, die zich tegen de particratie gekeerd had en met zijn revolutionair Plan De Man de enorme werkloosheid in ons land gedecimeerd. De communisten werden echter als trofee door de grote drie meegedragen, als een soort overwinning op het fascisme.
Belangrijk punt op die agenda van nationale eenheid was, naast het afrekenen met flaminganten (eis van de liberalen en katholieken in de regeerverklaring van 12 februari 1945) en de uitroeiing van de laatste sporen van de corporatistische staat (definitieve breuk met Coöperatieve de Vooruit in Gent), de terugkeer van koning Leopold III. Deze telg uit de bende van Saksen-Coburg stond bij de inval van de Duitsers voor een dilemma. Zou hij met zijn regering vluchten en zo het risico lopen zijn land te zien opgaan in enerzijds het Borms-Vlaanderen bis, een solidaristische en corporatistische uithoek van het Derde Rijk, en anderzijds het mini-Vichy-Frankrijk van Degrelle, openlijk fascistisch en anti-democratisch? Of zou hij bij zijn volk blijven en net als zijn illustere vader een volksheld worden, zowel in noord en zuid? Hij besloot bij zijn volk te blijven. Tussen juni 1944 en mei 1945 verbleef hij in Oostenrijk, waar hij regelmatig bij Hitler op de koffie ging en hengelde naar de job van ‘onderkoning van mandaatgebied België in het Derde Rijk’. De terugkeer van de koning zorgde voor heel wat ophef in het Belgenlandje.
De socialisten, liberalen en communisten waren tegen de terugkeer van de koning. En elk hadden ze hun eigen motieven: de communisten van Julien Lahaut zagen in de koningskwestie van ’45 de Belgische variant van de Russische revolutie van 1917. De socialisten wilden een gematigd surrogaat vormen voor de ex-nationaal-socialisten in het gehele land, die uitermate anti-royalistisch waren. De liberalen tenslotte, van nature een zeer royalistische en conservatie groep, speelde op veilig en stemde de sterke Waalse liberale achterban gerust door een koele afwijzing van de terugkeer van de koning te prediken.
De katholieken van de CVP/PSC daarentegen zagen geen graten in de terugkeer van Leopold. Zij verweten hem zijn contact met Hitler en de NSDAP-top niet en argumenteerden dat de vorst er alles aan had gedaan om het land te redden en altijd het beste voor zijn onderdanen uit de brand wenste te slepen, op gevaar voor eigen leven! Een niet te miskennen deel van de CVP-fractie (Walter Couvreur, Frans Van der Elst, Herman Wagermans) verliet de partij en stichtte een eigen partij: De Christelijke Vlaamse Volksunie, die in 1954 zou fusioneren met de Vlaamse Concentratie (VC) tot de Volksunie. De royalistische conservatieve vleugel van de partij ging resoluut (na de laatste daensisten uit de partij gezuiverd te hebben) voor de terugkeer van de koning.
De onenigheid in de coalitie leidde tot de terugtrekking van de CVP/PSC uit de regering. Concrete aanleiding was de vraag vanuit katholieke hoek naar een volksraadpleging over de terugkeer van de vorst, maar de andere partijen weigerden met klem. In ’47 werd de partij wel terug in de coalitie opgenomen om een meerderheid in het parlement te kunnen verwezenlijken. In ruil voor enkele dikke ministerportefeuilles en zetels in verschillende raden van bestuur liet de katholieke partij haar eis tot volksraadpleging links liggen. (Noot: de katholieken rekenden op steun vanuit het koningsgezinde Vlaanderen. De CVP/PSC die na beide oorlogen een serieuze knauw gekregen had hield zich recht aan hun trouw Vlaams kiezerspubliek. Het aandeel van de PSC zou zelfs in Wallonië onder de 15% gezakt zijn na WOII.)
De Walen vreesden voor een katholieke numerieke meerderheid in Vlaanderen die de groeimarge van de Waalse industrie zou indijken en Vlaanderen zou voortrekken en daarbij een conservatief protectionistisch en ronduit anti-liberaal beleid zouden voeren.De Vlamingen op hun beurt waren als de dood voor het liberalisme. Verlichte vrijheidsidealen werden immers vanaf de preekstoel als duivels en zondig beschimpt. Het schisma tussen de strekking van de lagere clerus die een progressiever discours en flamingantisme uitdroegen (de lagere clerus zou immers de belangrijkste rol van ledenronseling voor de Volksunie vervullen in ’54) en aansluiting zochten bij het socialisme en de hogere clerus die scoorde bij de katholieke franskiljons vormde het grootste opstakel binnen de CVP eind jaren ’40. De neuzen stonden alles behalve in dezelfde richting. De conservatieve vleugel, “de monsterverbondersâ€, zweerden trouw bij de alliantie met de unionistische liberalen. De progressieve flamingantische vleugel reikte het socialisme de hand. De figuur van Gaston Eyskens was voor beide strekkingen een aanvaardbaar leidersfiguur.
En zo geschiedde. Het referendum werd gehouden op 12 maart 1950.
In Vlaanderen stemde 72% van de bevolking voor de terugkeer van de koning en 28% tegen (het percentage tegenstemmen kwam niet toevallig overeen met het aandeel van de socialisten en flaminganten in Vlaanderen). In Wallonië, dat wou groeien en zich bij de wereldtop van industriële regio’s wou voegen, stemde slechts 42% voor de terugkeer. Het lot van Wallonië was op dat moment bezegeld. De beul van de Waalse toekomst heette de CVP. De koning keert terug. Het land is de revolutie… de splitsing nabij.