Een zestal jaren geleden schreef professor Yvan Vanden Berghe een verhandeling over de positie van het Nederlands in Nederland van 2000 tot 2025. Haast een derde van deze tijdsduur is verstreken, en al een flink deel van zijn voorspellingen zijn inmiddels uitgekomen of staan op het punt dit te doen. Deze verhandeling is indertijd afgedrukt in enkele culturele periodieken. waaronder het blad Neerlandia van het AlvT: Aangezien een groot deel van onze lezers de inhoud van dat artikel waarschijnlijk niet kent, leek het de reactie van Het Verbond nuftig hen in de gelegenheid te stellen er alsnog kennis van te nemen.
In Wallonië afficheert een bedrijf: "Hier praat men geen Vlaams!"
In Vlaanderen antwoordt een soortgelijk bedrijf: "Hier praat men niet, hier werkt men."
Deze tekst verscheen in het lustrumnummer van Kort Manifest n.a.v. 25 jaar Vormingsinstituut Wies Moens. In dit nummer vindt u de bijdragen van twaalf gastauteurs die allen een artikel schreven over een onderwerp passend in het gedachtegoed van Wies Moens. Meer info op http://www.wiesmoens.be/vormingsinstituut_25jaar.html
De verengelsing van ons onderwijs
De impact van de globalisering van ons onderwijs op het gebruik van het Nederlands in onze hogescholen en universiteiten blijft tot op heden beperkt. Momenteel geldt nog steeds het structuurdecreet dat het gebruik van een andere taal in de Bachelors beperkt tot 10%. In de Masterrichtingen bestaat er geen beperking, maar moet er voor elke anderstalige opleiding ook een Nederlandse worden aangeboden zo er een dubbel aanbod ontstaat. Wanneer we echter de situatie in Noord-Nederland bekijken stellen we vast dat de verengelsing daar alomtegenwoordig is. Zo worden aan de Universiteit van Amsterdam 66% van de Masteropleidingen in het Engels aangeboden terwijl aan de Technische universiteit Delft alle Masters in het Engels worden gedoceerd.
In 1980 werd met haast-en-spoed (zelden goed uiteraard!) een ‘regionalisering’ door het parlement gejaagd. ‘Met de karwats’ werd toen gezegd. De volksvertegenwoordiging, of wat er moet voor doorgaan, wist niet eens duidelijk waarover het ging (er doen terzake enkele typische anekdotes de ronde!).
De kernvraag is bij dit alles: wensen de taalgroepen in dit land eigenlijk nog wel samen te leven? Dat is een vraag die vooraf dient beantwoord te worden.
Het is ons opgevallen dat slechts zeer weinig burgers van dit land, buiten de milieus der extremen, daarop zo maar een positief antwoord durven geven. En daarom moet men nog niet eens met een verstarde ‘belgicist’ te doen hebben.
Op 13 april 1899 zag Florimond Grammens het levenslicht als zoon van rijkswachter Frederic Grammens en boerendochter Maria Gelaude. Rond 1910 verhuisde het gezin van Bellem naar Eeklo alwaar zijn moeder een stoffenwinkel uitbaatte. Na de lagere klassen liep Flor les aan het plaatselijke, destijds Franstalige, St.-Vincentiuscollege alwaar hij de voorbereidende en de Latijnse lessen volgde.
Gedurende de Eerste Wereldoorlog trok hij naar de normaalschool te Sint-Niklaas waarvan de Vlaamsgezinde Amaat Joos schoolhoofd was. In 1918 dook hij onder en nam na de bevrijding door Belgische troepen vrijwillig dienst als brancardier. In 1919 behaalde hij zijn diploma als onderwijzer en trok een jaar later naar de tweetalige (taalgrens)stad Ronse om er een betrekking als onderwijzer te aanvaarden.
De Taalunie: veel potentieel, overheersing van de middelmatigheid
In 1980 werd met de ondertekening van het Taalunieverdrag een gemeenschappelijk instituut, de Taalunie, opgericht door Nederland en Vlaanderen. Doel was een gemeenschappelijk beleid op gebied van taal, Nederlandstalig onderwijs en de taalgebonden cultuur. Concreet werd besloten tot het invoeren van een gezamelijke spelling, gezamelijke ontwikkeling van hulpmiddelen zoals naslagwerken, verzameling van expertise en ervaring rond Nederlandstalig onderwijs, het bijscholen van docenten Nederlands en literaire vertalers en een gemeenschappelijk taalbeleid in Europees verband. Nederlandstalig onderwijs in West-Duitsland, Noord-Frankrijk en Wallonië krijgt dan ook ondersteuning van de Taalunie. Mede dankzij de Taalunie is het met het Nederlands in het buitenland goed gesteld. Tot zover geen problemen met dit instituut, het bestaan ervan zou mij met vreugde moeten vervullen, maar dit is helaas niet het geval. Zoals, helaas, vaak het geval is in de Nederlanden streeft de Taalunie blijkbaar naar het bereiken van een status quo die enkel het gemiddelde inhoudt. Wat men in het “Meerjarenbeleidsplan 2008-2012, Nederlands zonder drempels†leest, is dan ook bedroevend. Of zoals Benno Barnard in de Knack van 16-22 januari 2008 zegt; “Het beleidsplan van de Taalunie is inderdaad even vlak als de polders.â€
Ik stelde hier destijds semi-optimistisch dat dialect nog weinig weerstand oproept en dat dat wellicht komt doordat het grotendeels verslagen is. De abeënisten kunnen zich de luxe veroorloven grootmoedig te zijn. Schoppen naar iemand die al neerligt komt niet langer sympathiek over en zou een tegenreactie kunnen teweegbrengen.
Jan Frans Willems, de vader van de Vlaamse Beweging, en Jan Frans Willems, verzamelaar van Vlaamse volksliederen. Waarom hield deze grote voorman in de strijd voor de Vlaamse ontvoogding zich bezig met volksliederen?
Omdat het volkslied, ondanks het feit dat het nog bestaat, een zekere dood tegemoet gaat. Iedereen die dit leest moet voor zichzelf maar eens nagaan hoeveel volksliederen hij of zij nog kent. En hoeveel worden er nog gezongen? Door het volkslied te laten vallen gaat een hele brok kultuur verloren. En wat krijgen we in de plaats? Een hit die nog slechts een levensduur kent van 14 dagen i.p.v. een lied dat eeuwen oud werd.
Nu weet u echter nog steeds niet welk verband er bestaat tussen het eenvoudige volkslied en de Vlaamse strijd. Het antwoord kent u, wanneer de rest niet ongelezen blijft.
“Dit is inderdaad geen gewone crisis. Er ontbreekt een gemeenschappelijk belang.” Wilfried Martens in “De Morgen” van 21 augustus 2007
De verkiezingen zijn nu reeds meer dan twee maanden achter de rug en we kunnen op z’n minst wel stellen dat de regeringsvorming geen succes is, om het wel zéér zacht uit te drukken. Waar vroeger vaak conflicten waren tussen de verscheidene politieke families, is er nu duidelijk een conflict tussen de Vlaamse en de Waalse/Franstalige belangen. De afgelopen dagen zijn de kranten, het internet, de journaals, kortom de ganse media, gevuld met allerlei analyses over de oorsprong van deze crisis, de eventuele uitwegen uit de crisis en zelfs over de toekomst van België. Zeer interessant is dat de publieke opinie niet enkel Vlaamsgezinder wordt, maar zelfs openlijk separatistisch. Allerlei peilingen, waarvan de betrouwbaarheid uiteraard ter discussie kan gesteld worden, wijzen op een patroon waarbij de meeste Vlamingen in de hoofden reeds afstand hebben genomen van België en nu enkel wachten op de staatskundige bevestiging hiervan. Dat de Walen en Franstalige vasthouden aan België is niet verrassend, zij zijn immers de echte, en waarschijnlijk laatste, Belgen.