Het gebeurt niet vaak dat er – in Nederlandse vertaling nog wel – een nieuw boek verschijnt dat we meteen een vaste plaats in onze Gwenvedbibliotheek kunnen geven. Dat het boek over eten gaat verklaart misschien een deel van de belangstelling, met name van uitgeverij De Arbeiderspers (de meeste mensen bekommeren zich nu eenmaal meer om eten dan om metafysische problemen). Het heet ‘Een pleidooi voor echt eten’ en is van de hand van de Amerikaan Michael Pollan. In de boekhandel zag ik het bij kookboeken staan, maar dat is een monumentale vergissing. De relevantie van het boek en de eventuele invloed die het kan hebben situeren zich – via het ‘kanaal’ van de factoor eten – op cultureel en maatschappelijk vlak, zoveel was me al duidelijk na het lezen van een eerste bespreking in de krant. En toen spoedig daarna de tweewekelijkse aflevering van ‘The American Conservative’ in de bus viel, met daarin een interview met auteur Michael Pollan, was het duidelijk: in dat boek over voedsel was ook ideologisch voedsel te vinden.
Een eerste prettige verrassing: in een tijd waarin wetenschap (‘op haar smalst’, voeg ik er graag aan toe) in toenemende mate alles en iedereen lijkt te overheersen is Michael Pollan eerlijk onwetenschappelijk, een tikje antiwetenschappelijk zelfs. Het nutritionisme (precies de poging om ons voedingspatroon wetenschappelijk te regelen) is zijn favoriete schietschijf. Die typische contaminatie van wetenschap en industrie heeft ons plezier in eten zowel als ons aanvoelen wat gezond eten is grotendeels te niet gedan. ZE spreekt niet meer over voedsel maar over voedingsstoffen, die men dan blijkbaar verondersteld wordt willekeurig tot iets eetbaars te kunnen synthetiseren. Het gaat niet meer over granen, groenten, fruit en vlees of vis, maar over oxydanten, omega-weet-ik-veel, vezels, aminozuren en (on)verzadigde vetzuren. De industrie ging alles wit raffineren: bloem, rijst, suiker. Het gamma voedingsmiddelen dat in allerlei etensmiddelen terug kwam werd steeds smaller: rijst, tarwe, maïs en soja. Voor de ‘smaak’ zorgen vet, zout en zoet. Gezellig empirisch-anekdotisch gaat de auteur daartegen in met de volgende natte-vingeradviezen. Bijna vanzelfsprekend roept hij op om kunstmatige kleur-, smaak- en zoetstoffen te mijden en pleit hij voor zo vers mogelijke producten van de lokale markt, als het kan van de biologische teelt. Voor sommigen minder evident zal zijn advies zijn om niets te eten wat niet kan rotten of wat ingrediënten bevat die onbekend, niet uit te spreken of meer dan vijf in getal zijn. Even schitterend onwetenschappelijk is zijn goede raad betreffende hetgeen je in de supermarkt (als dat al de plaats is waar je voedsel wil kopen) moet aanschaffen: neem in gedachten je grootmoeder of je overgrootmoeder mee en koop slechts datgene wat zij zou kennen en appreciëren. In zijn overigens enthousiaste bespreking van het boek in De Standaard schrijft Kerel Verhoeven: “Mocht (Pollan) het hele systeem van landbouw en voedselvoorziening willen ombouwen, dan was hij een gevaarlijke utopist. Maar hij blijft in de keuken.” Het is in het licht van die toch ietwat onderkoelde reactie dat het interview in The American Conservative interessant is. Want daarin gaat Michael Pollan nog een stukje verder in politiek-maatschappelijke richting. Voor Karel Verhoeven misschien ‘gevaarlijk’, voor ons een extra meerwaarde bovenop zijn op zich al genietbaar en waardevol boek.
Hendrik Conscience werd in 1812 te Antwerpen geboren als zoon van een Fransman die zich vijf jaar tevoren aldaar was komen vestigen. De jonge Hendrik Conscience wist zich op te werken tot hulponderwijzer en werd kort daarop klerk bij het provinciebestuur te Antwerpen. Zijn kennis, die erg veelzijdig was en diepgaand op vele gebieden, verkreeg hij uitsluitend door zelfstudie.
Als vriend van Jan-Alfried de Laet kwam hij in nauw contact met de Romantische kunstenaarskring die de gekende rederijkerskamer ‘De Olijftak’ toendertijd was. Onmiddellijk begeetserd door het gedachtengoed van het Romantisme publiceerde hij als debuut enkel poëzie. Dat poëtische oeuvre werd een totale mislukking. Hij gooide het over een andere boeg, maar zijn eerste historisch verhaal ‘In ’t Wonderjaar’ (verschenen 1837) kon al evenmin bewondering opwekken.
Met het vaste voornemen zijn tegenstanders voor schut te zetten en de erkenning als schrijver desnoods af te dwingen, schrijft hij in 1838 zijn ‘Leeuw van Vlaanderen’. In het jonge België waarin de Vlamingen zich reeds van in den beginne in het nauw gedrongen voelden, oogstte de roman onmiddellijk grote bijval bij de vlaamsgezinden. Ook bij de nederlandstalige Belgicisten had het werk aanvankelijk succes, omdat zij de vrijheidsgedachte die in de ‘Leeuw’ wordt verheerlijk, aanzagen voor de vrijheidsidee die volgens hen aan België’s bakermat had gestaan.
Zo aan het begin van een nieuw school- & academiejaar zien we altijd de meeste (jonge) nationalisten wakker worden voor het onrecht dat de meerderheid in eigen land (en daarbuiten) wordt aangedaan. En zodoende leek het me wel aangewezen even te verwijzen naar een boek dat ik altijd als hét basiswerk voor beginnende flaminganten heb beschouwd. Het Belgisch Ongeluk is eenvoudig geschreven, telt nog geen 150 pagina’s maar slaagt er wel in de onrechtvaardigheid tegenover Vlamingen sinds 1830 perfect in kaart te brengen.
Nationalistisch buiten het Vlaams-gezinde moet je niet verwachten echter, dit is vooral een historisch basiswerk van een mijns inziens bijzonder bekwaam auteur (Werner Somers). Voor belezen Vlamingen is dit boek ook nog altijd nuttig overigens, gezien het alles nog eens op een rijtje zet. Een aanrader!
Hieronder zodoende de korte boekbespreking die ik een kleine drie jaar geleden erover geschreven heb.
“Dat plengoffer na een met succes overleefde veldslag behoort tot de mooiste herinneringen van veteranen. Zelfs als er van de twaalf tien gesneuveld waren, gingen die laatste twee zonder mankeren op de eerste verlofavond samen aan de drank, hieven zwijgend een glas op hun dode kameraden en bespraken op een schertsende toon hun gezamenlijke belevenissen. In die mannen leefde iets wat enerzijds de gruwelijkheid van de oorlog benadrukte, maar die anderzijds ook op een hoger plan bracht – het wezenlijke genoegen van het gevaar, de ridderlijke drang zich te bewijzen in het gevecht. In de loop van vier oorlogsjaren kristalliseerde zich door het vuur een steeds zuiverder, steeds vermeteler soldatenaard uit. ” (1)
Ik dacht erover na tijdens de laatste sessie van de Geschiedenis & Morele Filosofie cursus. G. & M.F. was anders dan andere cursussen daar iedereen het moest volgen maar niemand ervoor moest slagen – en mijnheer Dubois leek er nooit om te geven of hij ons erdoor kreeg of niet. Hij zou gewoon naar je wijzen met de stomp van zijn linker arm (om namen gaf hij nooit) en een vraag stellen. Dan zou de discussie beginnen.
Maar op de laatste dag zag het ernaar uit dat hij probeerde erachter te komen wat we geleerd hadden. Een meisje zei brutaal: “Maar mijn moeder zegt dat geweld nooit iets oplost.”
“En?” Mr. Dubois keek haar koud aan. “Ik ben er zeker van dat de stichters van Carthago dat graag zullen horen. Waarom vertelt je moeder hen dat niet? Of waarom doe jij dat niet?”
De twee hadden al eerder woorden gewisseld – omdat je niet kon falen was er ook geen nood bij mijnheer Dubois te slijmen. Ze zei geagiteerd, “U bent me belachelijk aan het maken! Iedereen weet dat Carthago vernietigd was!”
In zijn recentste boek “Who are we ?” (in Nederlandse vertaling bij Manteau: “Wie zijn wij?”) gaat de bekende Amerikaanse politieke wetenschapper Samuel Huntington dieper in op de thema’s die in het vorige nummer van DNS besproken boek van Buchanan ook aan bod komen.
Of Darwin gelijk heeft met zijn theorie betreffende de evolutie en het ontstaan van de mens laat ik in het midden, maar één vlak heeft hij alvast groot gelijk: zij die het meest aangepast zijn, zijn degenen die overleven. Deze wet/regel, of noem het gerust axioma, is ook van toepassing op mensen en systemen. Begrijp me goed, dit is geen pleidooi voor het sociaal-darwinisme, maar een pleidooi tot het (her)opbouwen van een dynamische samenleving. Een samenleving moet immers evolueren, meegaan met de tijd, maar dit zonder alles in één keer te willen veranderen en dus een tabula rasa te maken.
Zoals de titel doet vermoeden wordt het boek van Kinneging gekenmerkt door een filosofische inslag. Het boek van de hoogleraar rechtsfilosofie van de Leidense universiteit en voorzitter van het bestuur van de Edmund Burke Stichting, werd in 2006 beloond met de Socratische Wisselbeker 2006, een wisselbeker voor het beste filosofische boek van het voorbije jaar.
Nu men een heropleving van het Groot-Nederlands gedachtegoed bij de grote massa lijkt vast te kunnen stellen is dit boek meer dan ooit actueel. Om deze reden volgt hier een boekverslag van Quaestor Annabel Horemans.
“Er kan geen samenleving bestaan zonder [een] ervaring van lidmaatschap. Want juist die maakt het voor mij mogelijk dat ik de belangen en behoeften van vreemdelingen als mijn eigen zorg beschouw. [...] Het geeft me een maatstaf om onderscheid te maken tussen hen die recht hebben op de voordelen van de opoffering die mijn lidmaatschap van mij verlangt en indringers.”
Bartkus stelt zich in haar boek “The dynamic of secession” de vraag wanneer een bepaalde gemeenschap overgaat tot een mogelijke afscheiding van de staat waartoe ze verbonden is. Naast vier noodzakelijke elementen die aanwezig moeten zijn voor een afscheidingscrisis (onderscheiden gemeenschap, leiders, territorium en ontevredenheid; zie hieronder) is de timing tot het overwegen van zo een afscheiding belangrijk. De timing van het kiezen voor een mogelijke afscheiding hangt af van vier variabelen: (1) de opbrengsten van een verder gezet lidmaatschap in de breder bestaande politieke entiteit; (2) de kosten van zo een lidmaatschap; (3) de kosten van afscheiding en (4) de opbrengsten van afscheiding.
Het boek The Size of Nations van Alesina en Spolaore (beide economen en hooglaren aan Amerikaanse Universiteiten, respectievelijk Harvard en Brown University) handelt zoals de titel van het boek reeds doet vermoeden over de ideale grootte van een land. Centraal in hun betoog staat de tegenstelling tussen schaalvoordelen en heterogeniteit. Zij zien een mogelijke afscheiding van een gemeenschap van de staat waartoe ze behoort als een afweging van die tegenstelling.
als u zich eens flink wat onheil op de hals wil halen, dan moet u een boek schrijven. Liefst een historisch werk, dat geeft de grootste miserie. U moet dan op zoek naar archieven, oude teksten, onvindbare brochures, verloren gewaande foto’s. U moet ook vechten tegen de bierkaai van het menselijke geheugen, dat de onhebbelijke gewoonte heeft ons telkens weer volkomen in de steek te laten. Uw werkruimte wordt een stockageplaats van roestige classeurs, uw huis een veredelde papiercontainer.
In zijn boek The Death of the West waarschuwt oud-Presidentskandidaat en adviseur van drie voormalige Amerikaanse Presidenten Patrick Buchanan voor het einde van onze Westerse beschaving. Hiervoor ziet Buchanan twee belangrijke met elkaar correlerende redenen.