“[D]e industrie is niet alleen de toepassing van de wetenschap, toepassing waarvan die laatste – op zichzelf – totaal onafhankelijk zou moeten zijn. Zij wordt er de bestaansreden en de rechtvaardiging van, zodanig dat hier nogmaals de normale betrekkingen omgekeerd blijken te worden. Datgene waarop de moderne wereld al haar krachten heeft toegepast, zelfs wanneer ze heeft beweerd aan wetenschap op haar manier te doen, is in werkelijkheid niets anders dan de ontwikkeling van de industrie en het ‘machinisme’. En door zo de materie te willen beheersen en haar naar hun gebruik te buigen zijn de mensen er alleen in geslaagd zich er de slaven van te maken. Zoals we in het begin zeiden: niet alleen hebben ze hun verstandelijke (als het nog toegelaten is zich van dat woord te bedienen in een dergelijk geval) ambities beperkt tot het uitvinden en bouwen van machines, maar ze zijn uiteindelijk zélf machines geworden. Inderdaad, de ‘specialisatie’ – zo geroemd door bepaalde sociologen onder de naam ‘arbeidsverdeling’ – heeft zich niet alleen opgedrongen aan geleerden, maar ook aan technici en zelfs aan arbeiders, en voor die laatsten is elke verstandelijke arbeid op die manier onmogelijk gemaakt. Heel anders dan de ambachtslui van vroeger, zijn zij niets anders dan de bedieners van machines. Zij vormen als het ware één geheel ermee. Zij moeten onophoudelijk – op een volledig mechanische manier – bepaalde gedetermineerde bewegingen herhalen om het minste tijdverlies te vermijden. Altijd dezelfde en altijd volbracht op dezelfde manier. Zo willen het tenminste de Amerikaanse methodes die aanzien worden als de hoogste graad van ‘vooruitgang’. Inderdaad, het gaat er alleen om zoveel mogelijk te produceren. Men bekommert zich weinig om de kwaliteit, het is enkel de kwantiteit die belangrijk is. We komen eens te meer terug op dezelfde vaststelling die we al gemaakt hebben in andere domeinen: de moderne beschaving is waarlijk wat men een kwantitatieve beschaving kan noemen, wat niets anders is dan een andere manier om te zeggen dat zij een materiële beschaving is”.
In traditionele Japanse cultuur wordt veel belang aan nummers gehecht. Volgens de traditie van 'het nummers spel' kan veel kwantitatief vertaald worden om de waarde van de dingen des levens beter te begrijpen. Echter, ze waarschuwt ook dat als men geobsedeerd wordt door nummers, deze een waarde op zich gaan krijgen.
Men streeft dan niet meer waarde na, maar enkel een toenemend aantal nummers...
Denk daar maar eens een weekje over na...
Week 11 augustus 2008
“Dat plengoffer na een met succes overleefde veldslag behoort tot de mooiste herinneringen van veteranen. Zelfs als er van de twaalf tien gesneuveld waren, gingen die laatste twee zonder mankeren op de eerste verlofavond samen aan de drank, hieven zwijgend een glas op hun dode kameraden en bespraken op een schertsende toon hun gezamenlijke belevenissen. In die mannen leefde iets wat enerzijds de gruwelijkheid van de oorlog benadrukte, maar die anderzijds ook op een hoger plan bracht – het wezenlijke genoegen van het gevaar, de ridderlijke drang zich te bewijzen in het gevecht. In de loop van vier oorlogsjaren kristalliseerde zich door het vuur een steeds zuiverder, steeds vermeteler soldatenaard uit. ” (1)
Afgelopen lente is een Japanse anime gebaseerd op de ‘light novel’ ‘Toshokan Sensou’ (Bibliotheek Oorlog) verschenen. Deze serie (12 afleveringen) speelt zich af in een alternatief universum waarin de constante en veelzijdige stroom aan informatie voor massale publieke onrust zorgde.
Daarom werd de ‘Media Verbeteringswet’ (MVW) gelanceerd en het ‘Media Verbeteringscomité’ (MVC) opgericht. Dit comité, in feite een gewapende militie, kreeg het recht inspecties, confiscaties en vervolging uit te voeren wanneer ze vermoedt dat de vrije meningsuiting misbruikt wordt voor het schenden van ‘mensenrechten’ (een begrip dat niet toevallig nergens in de serie nader verklaard wordt).
Je kan al raden dat de MVC alle vormen van dissidentie begon te verbieden ‘in naam van de mensenrechten’. Echter, de MVW bleek in conflict met de ‘Bibliothecaire Vrijheidswet’ (BVW), welke absolute vrije meningsuiting in bibliotheken toestaat. Onder het voorwendsel van deze wet zijn lokale overheden de bibliotheken tot halve burchten uit gaan bouwen, en richtte de ‘Bibliothecaire Verdedigingsmacht’ (BVM) op. Bibliotheken werden zodoende de enige uitzondering voor de MVC, ze mag er inspecties uitvoeren, maar de BVM mag dan wel gewapende weerstand bieden. Daarnaast heeft de BVM een hele trukendoos, zoals literatuur van confiscatie redden door het opvorderen voor de bibliotheek.
“Eerst zult ge de sirenen ontmoeten, die eenieder betoveren, die geraakt in hun buurt. Voor de man, die komt in hun nabijheid, is de thuiskomst verkeken, als hij niet op zijn hoede is, maar naar hun stem luistert. Hij zal noch zijn vrouw noch zijn kinderen terugzien, die zich al verheugden op zijn komst. Met de betovering van hun lied, dat zij zingen waar zij zitten op een hooggelegen weide, die met het verblekend gebeente van hun slachtoffers bezaaid is, brengen zij de onvoorzichtige in hun ban. Zeil dus snel voorbij die gevaarlijke plaats, en opdat niemand uwer mannen hun vervoerend gezang zal kunnen horen, moet ge hun oren met bijenwas verzegelen, na die eerst gesmolten te hebben. Doch mocht ge zelf hun toverlied willen horen, laat u dan aan handen en voeten vastbinden aan de grote mast. Vrij kunt ge dan genieten van de dubbelzang der Sirenen. Maar zeg het uw mannen tevoren, dat ze nòg vaster nu binden naar mate gij dringender smeekt om ontbonden te worden.” (Circe aan Odysseus) (1)
§ 18. Antieke Trots – […] Een Griek van edele afkomst trof tussen zijn hoogte en die uiteindelijke laagte een dergelijke afstand aan, zulke ontzaglijke tussenstadia, dat hij de slaaf nauwelijks nog duidelijk kon zien: zelfs Plato heeft hem niet goed meer gezien. Met ons is het anders: gewend als wij zijn aan de leer van de gelijkheid der mensen, zij het dan ook niet aan de gelijkheid zelf. […] (Friedrich Nietzsche, De Vrolijke Wetenschap)
‘Vrijheid’ en ‘Gelijkheid’. Twee toverwoorden, twee slagzinnen, waarmee de revolutionairen van 1789 de Derde Stand mee zou bevrijden uit haar ketens. Ofschoon deze idealen de kroniek van een aangekondigde farce waren (1), worden zij tot vandaag gebruikt en vooral misbruikt door vele politieke stromingen. Te pas en te onpas worden zij gebruikt om het volk mee te paaien, maar eigenlijk weet niemand wat ermee bedoeld wordt.
Wij zijn uiteraard allen kinderen van de Verlichting, of we het nu willen of niet. Onze denkpatronen, onze rationalistische en nuchtere kijk op de maatschappij wordt voor een groot deel bepaald door de denkbeelden van bepaalde filosofen uit de 17de en 18de eeuw. Zij brachten begrippen als ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’ onder de aandacht en gaven er een specifieke wending aan. Wat betekenen ze eigenlijk in de moderne zin van het woord, en wat waren zij van betekenis voordat deze ‘modernen’ op de proppen kwamen met hun toverwoorden? Met andere woorden: wat was de betekenis van vrijheid en gelijkheid volgens traditionalisten?
Zoals de titel doet vermoeden wordt het boek van Kinneging gekenmerkt door een filosofische inslag. Het boek van de hoogleraar rechtsfilosofie van de Leidense universiteit en voorzitter van het bestuur van de Edmund Burke Stichting, werd in 2006 beloond met de Socratische Wisselbeker 2006, een wisselbeker voor het beste filosofische boek van het voorbije jaar.
Het eerste deel van dit dossier eindigde met de boodschap de ondergang voor te bereiden door ons enkel nog op de beste elementen (onszelf incluis) te concentreren. Dit staat in schril contrast met de huidige tendens van ‘redde wat er te redden valt’ die zich binnen de beweging aftekent, en enige richtlijnen lijken dan ook aan de orde. Overigens, zelfs losstaande van het eerste deel zal deel 2 waarde hebben voor de echte nationalist. Hoe dan ook, de richtlijnen zijn voor de eenvoud en retentie ondergebracht in de lijfspreuk van Sven Hedin (1), namelijk ‘Voluntate et Labore’, oftewel, ‘Wilskracht en Arbeid’.
Als nationalisten zetten wij ons af tegen de ondergang van onze samenleving, maar wat maakt ons dat dan? Wij zijn niet progressief, zoveel weten we, wij hollen niet zomaar achter de toekomst aan. Maar we zijn toch ook niet als fossielen blijven steken in het verleden? Edmund Burke (1) gaf hier een mogelijke verklaring toen hij de samenleving beschreef als een partnerschap tussen doden, levenden en ongeborenen. Verleden, heden en toekomst tegelijk dus. Zo komen we tot de logische vraag, wat is tijd voor ons? Het antwoord ligt in de geschiedbeschouwing. Er bestaan hier twee grote stromingen binnen, die in dit deel (helder doch schandalig summier) besproken zullen worden. Daarna zal ik verderbouwen op mijn persoonlijke visie hieromtrent, maar het staat iedereen vrij er anders over te denken natuurlijk
Was für ein Dünkel! Du wagst, was wir alle loben, zu schelten? Ja, weil ihr alle, vereint, auch noch kein Einziger seid.
Friedrich von Schiller – “An die Menge”
Totalitaire regimes gaan ten onder, omdat ze de drang van de mens naar fundamentele vrijheid niet weten te bevredigen. Ze dienen dan meestal ook psychotische, onrealiseerbare idealen of nog minder verdedigbare persoonlijke interessen. Politiek die de natuur tegengaat is geen lang leven beschoren. We denken hierbij aan het barbaarse communisme van Stalin en Mao, of het losgeslagen primitivisme van Pol Pot.