Vele in de Vlaamse Beweging spreken van een onafhankelijk Vlaanderen in een Europa der volkeren. En maar logisch ook. Alleen beseft slechts een minderheid werkelijk wat de term onafhankelijkheid inhoudt. Als we een Vlaanderen gaan maken dat zich gaat binden aan allerlei organisaties van dubieus allooi zoals de NAVO, het IMF, de WTO e.d., dan scheppen we enkel een België in het klein. Ook het doodstaren op de eigen navel is iets waar ik mij maar al te zeer voor wil behoeden. Een Vlaams-nationalistisch streven is in mijn ogen op staatkundig vlak een Diets streven; de hereniging met het Nederlandse vaderland is het eindpunt. Maar het is ook veel meer dan dat. Het is ook een sociale strijd.
In 1980 werd met haast-en-spoed (zelden goed uiteraard!) een ‘regionalisering’ door het parlement gejaagd. ‘Met de karwats’ werd toen gezegd. De volksvertegenwoordiging, of wat er moet voor doorgaan, wist niet eens duidelijk waarover het ging (er doen terzake enkele typische anekdotes de ronde!).
Eén ding staat vast: ze voldoet niemand. Voor de een gaat ze niet ver genoeg, voor de andere gaat ze veel te ver. Hoe dan ook: ze maakt dit land, ingevolge een ingewikkelde structuur, onbestuurbaar. Onregeerbaar door haar onduidelijke en elkaar overlappende bevoegdheden, waarin de chaos welig tiert.
De kernvraag is bij dit alles: wensen de taalgroepen in dit land eigenlijk nog wel samen te leven? Dat is een vraag die vooraf dient beantwoord te worden.
Maar met dien verstande dat men er dan tevens ook de vraag bij stelt: heeft één der partijen (of beide) wel écht zo veel te winnen bij de scheiding?
Het is ons opgevallen dat slechts zeer weinig burgers van dit land, buiten de milieus der extremen, daarop zo maar een positief antwoord durven geven. En daarom moet men nog niet eens met een verstarde ‘belgicist’ te doen hebben.
Het verhaal van het solidarisme begint met een aanschouwing van de twee grote voorafgaande ideologie�n, liberalisme en marxisme, die een maatschappelijke stempel drukten en vandaag de dag nog steeds actueel zijn.