Dinsdag 24 maart is het exact tien jaar geleden dat een coalitie van ‘democratische staten’ (lees: NAVO-dictaturen) Servië besloot te trakteren op een 78 dagen durend bombardement. Officieel klonk de rechtvaardiging dat het noodzakelijk was om de ‘etnische zuiveringen’ te stoppen, of toch tenminste die door Serviërs in Kosovo. Maar in feite weten we allemaal waar het echt om draaide, Servië was immers de enige staat van het voormalige Oostblok dat geen onmiddellijke knieval voor de VSA-gedomineerde atlantisten pleegde.
Na de bombardementen zagen we een fenomeen kenmerkend voor de verdedigers van de vrije wereld: de grenzen worden verlegd zonder overleg, marionetten worden aangesteld zonder democratische verkiezingen en een eeuwige welvaart wordt beloofd, tenminste, als ze het spelletje verder meespelen.
“’Om de wereld te hervormen moeten de mensen zelf psychisch een andere weg inslaan. Wanneer je zelf ook niet echt ieders broeder wordt, dan zal de broederschap niet aanbreken. […] Iedereen zal vinden dat hij te weinig heeft, mopperen, afgunstig zijn en de anderen naar het leven staan. U vraagt wanneer dat werkelijkheid zal worden. Dat zal werkelijkheid worden, maar eerst moeten we door een periode van menselijke vereenzaming heen’. ‘Wat voor vereenzaming’, vraag ik hem. ‘De vereenzaming die nu overal heerst, vooral in onze eeuw, maar ze is nog niet helemaal definitief, nog is haar tijd niet gekomen. Want een ieder streeft er nu naar zijn persoon zo mogelijk af te scheiden, een ieder wil in zichzelf de volheid van het leven ervaren, maar intussen leiden al zijn inspanningen in de verste verte niet tot de volheid des levens, maar tot regelrechte zelfmoord, want in plaats van te komen tot volheid van inzicht in het eigen wezen geraken zij slechts volledig vereenzaamd. In onze tijd zijn allen namelijk verdeeld in individuen, ieder zondert zich af in zijn hol, ieder mijdt de ander, houdt zich schuil, verbergt zelfs wat hij heeft en eindigt ermee dat hij door de mensen verstoten wordt en zelf de mensen verstoot. In eenzaamheid vergaart hij rijkdom en denkt: nu ben ik sterk en onafhankelijk, maar de dwaas weet niet dat hoe meer rijkdom hij vergaart, des te dieper hij wegzinkt in zelfvernietigende onmacht. Want hij is gewoon geraakt om alleen zichzelf te vertrouwen en zichzelf als een individu van het geheel af te scheiden, hij heeft zijn ziel aangeleerd niet te geloven in menselijke hulp, de mensen en de mensheid, hij siddert enkel bij de gedachte dat hij zijn geld en zijn verworven rechten kan kwijtraken.’â€
(DOSTOJEVSKI, Fiodor M., De broers Karamazov, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2005, 369)