Hendrik Conscience werd in 1812 te Antwerpen geboren als zoon van een Fransman die zich vijf jaar tevoren aldaar was komen vestigen. De jonge Hendrik Conscience wist zich op te werken tot hulponderwijzer en werd kort daarop klerk bij het provinciebestuur te Antwerpen. Zijn kennis, die erg veelzijdig was en diepgaand op vele gebieden, verkreeg hij uitsluitend door zelfstudie.
Als vriend van Jan-Alfried de Laet kwam hij in nauw contact met de Romantische kunstenaarskring die de gekende rederijkerskamer ‘De Olijftak’ toendertijd was. Onmiddellijk begeetserd door het gedachtengoed van het Romantisme publiceerde hij als debuut enkel poëzie. Dat poëtische oeuvre werd een totale mislukking. Hij gooide het over een andere boeg, maar zijn eerste historisch verhaal ‘In ’t Wonderjaar’ (verschenen 1837) kon al evenmin bewondering opwekken.
Met het vaste voornemen zijn tegenstanders voor schut te zetten en de erkenning als schrijver desnoods af te dwingen, schrijft hij in 1838 zijn ‘Leeuw van Vlaanderen’. In het jonge België waarin de Vlamingen zich reeds van in den beginne in het nauw gedrongen voelden, oogstte de roman onmiddellijk grote bijval bij de vlaamsgezinden. Ook bij de nederlandstalige Belgicisten had het werk aanvankelijk succes, omdat zij de vrijheidsgedachte die in de ‘Leeuw’ wordt verheerlijk, aanzagen voor de vrijheidsidee die volgens hen aan België’s bakermat had gestaan.